Wiet Janssen: ‘De kwaliteit van het lager onderwijs is nou net het probleem’

De  reacties op zijn stelling dat kinderen uit arme families niets leren op school waarmee ze geld kunnen verdienen, hebben wetenschapper Wiet Janssen aangenaam verrast. Toch blijft hij bij zijn stelling.

De reacties op mijn stelling hebben me aangenaam verrast. Alle drie gaan ze inhoudelijk in op de stelling, in plaats van het bestaan van het aangestipte probleem te ontkennen. Wat mij ook verrast is dat in geen van de drie reacties de juistheid van mijn stelling wordt aangevochten. Wel worden er een heleboel argumenten aangevoerd om aan te tonen dat goed onderwijs een voorwaarde is voor ontwikkeling en dat kinderen op school allerlei waardevolle dingen leren die niets te maken hebben met geld verdienen. Die argumenten lijken me op zich valide, maar de stelling zegt ook niet dat ze dat niet zouden zijn!

Onderwijs is de sleutel tot ontwikkeling, tenminste als het onderwijs goed is

Dhr. Kleinrensink stelt dat onderwijs dé sleutel is tot ontwikkeling, en dat ben ik met hem eens. Zijn ‘tegenstelling’: dat er nog veel gebeuren moet om de kwaliteit en de duurzaamheid van het onderwijs te verbeteren, onderschrijf ik eveneens. En ook ik ben er vóór dat ook meisjes naar school gaan, en ook ik vind dat het onderwijs gedifferentieerd moet zijn naar leeftijdsgroep. En het klopt dat kinderen uit arme families vaak helemaal niet naar school gaan of slechts een paar jaar. En inderdaad, als ze de school afmaken hebben ze vaak nog erg weinig geleerd.

Maar de kwaliteit van het lager onderwijs is nou net het probleem. Voor lezers die niet weten hoe dramatisch slecht het onderwijs vaak is volgen hier een paar conclusies van verschillende onderzoekers. In ‘The Millennium Project’ stelt Sachs dat de meeste kinderen die in ontwikkelingslanden naar school gaan daar ‘schokkend weinig leren’. Kraft vond dat slechts 10% van de Ghanese schoolkinderen na het zesde schooljaar konden lezen op het vereiste niveau.

Eveneens in Ghana stelden Lipson en Wixon vast dat na het zesde schooljaar nog maar heel weinig kinderen ook begrijpen wat ze lezen. Volgens het UN Human Development Report 2005 slaagden in Zambia slechts een kwart van de kinderen die de lagere school voltooid hadden voor een simpele leestest. De evaluatieorganisatie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, IOB, concludeert: ‘Veel scholieren in Oeganda verlaten de school terwijl ze kunnen lezen noch rekenen’.

Een belangrijk obstakel is de traditionele manier van lesgeven. De kinderen moeten alles uit hun hoofd leren. De Minister van Onderwijs in Suriname vatte het als volgt samen: ‘De leraar neemt de mentale activiteiten van de leerlingen over, hij presenteert de informatie en de leerlingen leren die uit hun hoofd’.[1]

Arme ouders hebben goede redenen om hun kinderen thuis te houden

De armen werken meestal in de informele sector. Ze doen werk dat allerhande praktische vaardigheden vereist. De communicatie is vrijwel uitsluitend verbaal en kennis van lezen en schrijven is van weinig nut. Een grote internationale evaluatie van het onderwijs in verschillende ontwikkelingslanden onder leiding van Freeman and Dohoo Faure concludeerde dat het onderwijs de scholieren niet voorbereidde op de ‘werkende wereld’. De Duitse ontwikkelingsorganisatie GTZ stelde vast dat ouders vaak ongelukkig waren met het theoretische karakter van het onderwijs.

Bergmann vond dat zowel politici als ouders behoefte hadden aan onderwijs dat helpt om het dagelijks leven te verbeteren en dat toegang biedt tot betaald werk. In een studie van onderwijs in Tanzania concludeerden Burke en Beegle dat ouders hun kinderen vaak niet naar school sturen omdat de verwachte inkomsten laag zijn ten opzichte van de kosten van de scholing, en omdat ze de opbrengst van het werk van de kinderen mislopen. Arme ouders laten de beslissing om hun kinderen naar school te sturen dus sterk afhangen van wat ze denken dat het ze oplevert, in geld of in goederen. En dat is ook logisch als je grootste zorg is om te overleven. Als je geen geld hebt kun je geen eten kopen als je kinderen honger hebben, en geen medicijnen voor ze als ze ziek zijn, etc. Inkomen is de enige manier om uit de armoede te ontsnappen.

Het aantal kinderen dat naar school gaat is in werkelijkheid overigens ook veel lager dan volgens de officiële cijfers. Kingdon stelde vast dat dat komt omdat het aantal leerlingen bepaalt hoeveel geld een school krijgt. Het is voor de scholen dus erg verleidelijk om het leerlingenaantal wat te hoog te rapporteren. Berger vond dat in een stadje van 3000 inwoners in het zuiden van Zambia slechts 150 kinderen de school bezochten (30% van de kinderen in de schoolgaande leeftijd) terwijl de school volgens de administratie 300 leerlingen had. De school rapporteerde dus twee maal het aantal kinderen dat er werkelijk was. Het perecentage kinderen dat thuis blijft is dus aanzienlijk. En ouders hebben daar dus goede redenen voor.

Ik blijf daarom bij mijn stelling!

Ik ben in dit stukje niet ingegaan op de argumenten van mevr. Roefs en dhr. Wijbrandi dat kinderen dankzij onderwijs ook een heleboel waardevolle dingen leren die niets met geld verdienen te maken hebben. Met die argumenten ben ik het, zoals gezegd, grotendeels eens, maar dat betreft een andere discussie. Daar zou ik graag mijn volgend artikel aan willen wijden.

Dit artikel is naar aanleiding van de reacties van  Jan Jaap Kleinrensink (Plan Nederland), Jan Bouke Wijbrandi (Unicef) en Jeanne Roefs (onderzoeksjournalist) op de stelling van Wiet Janssen: Kinderen uit arme landen leren om school niets waarmee ze geld kunnen verdienen.


[1] Informatie en bronnen: zie mijn proefschrift hoofdstuk 3.4.7 en 7.4, www.ontwikkelingshulpanders.nl

Wiet Janssen
Over de schrijver

Wiet Janssen is werktuigbouwkundige en heeft vijftien jaar gewerkt in diverse ontwikkelingsprojecten, bijvoorbeeld op het gebied van drinkwater, zonne-energie, lokale productie en stedelijke infrastructuur. Eind 2009 is hij gepromoveerd aan de Universiteit Twente op een proefschrift over de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking, Management of the Dutch Development Cooperation.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>

2 reacties op “Wiet Janssen: ‘De kwaliteit van het lager onderwijs is nou net het probleem’

  1. Waarom zulke lage ambities voor andermans kinderen?

    Nu ben ik, op mijn beurt, verrast door de reactie van de heer Janssen. Waarom zouden we het probleem ontkennen? Me dunkt dat iedereen met enige kennis van ontwikkelingssamenwerking zich ervan bewust is, dat de kwaliteit van het onderwijs in veel arme landen bedroevend is. Zijn betoog is dan ook nogal achterhaald.

    Verbetering van de kwaliteit van het onderwijs was een van de doelen, die door de internationale gemeenschap werden vastgesteld op de Education for All-conferentie (EFA) in Dakar in 2000. Dat doel is echter ondergesneeuwd geraakt door de nadruk die is gelegd op het streven alle kinderen toegang tot onderwijs te bieden. Veel maatregelen die daarop waren gericht, zoals het afschaffen van schoolgeld, veroorzaakten een enorme toeloop op scholen. Het onderwijssysteem was daar vaak niet op berekend, met als gevolg dat de kwaliteit nog verder achteruit ging.

    Onderwijshervormingen
    Het EFA Global Monitoring Report 2005 kreeg dan ook als titel mee ‘Education for All: The quality imperative’ en is bijna geheel gewijd aan de vraag hóe de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren. Binnen de onderwijssector van VN-organisaties en internationale ngo’s wordt de laatste vijf jaar over bijna niets anders gepraat.
    Onderwijshervormingen zijn niet nieuw. Al meer dan twintig jaar wordt in veel landen – met wisselend succes – geëxperimenteerd met programma’s die het onderwijs voor kinderen (en hun ouders) aantrekkelijker, relevanter en effectiever moeten maken. Daar gaat ook veel Nederlands ontwikkelingsgeld naartoe, zowel van de overheid als van particuliere organisaties.

    Nieuwe School
    Bijna alle ontwikkelingslanden experimenteren of werken al met eigen methodes en programma’s om de kwaliteit van het basisonderwijs te verbeteren. Ik noem hier alleen een paar voorbeelden van programma’s die zo succesvol bleken, dat ze op nationale schaal zijn ingevoerd of zelfs overgenomen in andere landen.
    In de jaren tachtig werd op het platteland van Colombia geëxperimenteerd met de ‘Escuela Nueva’, een – zeker voor die tijd en plaats – revolutionair onderwijsconcept. Het lesprogramma was afgestemd op de individuele ontwikkeling van elk kind; er werd gewerkt in groepjes; discussies werden aangemoedigd; leerlingen kregen meer verantwoordelijkheid en ouders werden actief bij de school betrokken. De leerstof werd meer afgestemd op de lokale omstandigheden en behoeften, en de lestijden werden flexibel, zodat kinderen in de oogsttijd hun ouders konden helpen.

    Succesvol
    Het onderwijsmodel bleek zo succesvol dat het op grote schaal werd toegepast in Colombia. Guatemala nam het in zijn geheel over, andere landen waaronder Chili, Argentinië, Nicaragua en de Filippijnen, pasten onderdelen ervan toe in hun eigen onderwijssysteem. Richard Kraft, een onderzoeker naar wie ook de heer Janssen verwijst, schreef in 1997 in een rapport voor de Wereldbank en USAID over de Escuala Nueva in Colombia: “De Nieuwe School beweging is misschien wel de meest succesvolle onderwijshervorming die ik in meer dan 30 jaar in bijna 20 landen heb gezien”.

    Joyful Learning
    Elementen van de ‘Nieuwe School’ zijn terug te vinden in het ‘Joyful Learning’ concept, dat al jaren met succes wordt toegepast op scholen in grote delen van India en Bangladesh. De Bengaalse ngo BRAC weet er de school (weer) aantrekkelijk mee te maken voor kinderen, die geen formeel onderwijs volgen. Het concept wordt toegepast op de ca. 60.000 non-formele basisscholen en 26.000 kleuterscholen, die BRAC alleen al in Bangladesh runt. Het gros van de kinderen stroomt na verloop van tijd door naar het reguliere onderwijs.

    Halverwege de jaren negentig voerde Bolivia tweetalig onderwijs in, waardoor het onderwijs ook toegankelijk en haalbaar werd voor kinderen uit Indiaanse bevolkingsgroepen, die niet Spaans als moedertaal hadden. Inmiddels wordt tweetalig of intercultureel onderwijs in tal van landen gebruikt om ook kinderen van etnische minderheden toegang tot onderwijs te bieden.

    Kindvriendelijke school
    De meest recente en meest grootschalige onderwijshervorming is de introductie van het door Unicef ontwikkelde ‘Child Friendly School-model’ (CFS), dat gebaseerd is op de principes en bepalingen van het internationale Verdrag voor de Rechten van het Kind. Het is een holistisch concept, dat niet alleen nadruk legt op gelijke toegang tot onderwijs voor alle kinderen, maar ook hoge eisen stelt aan de kwaliteit ervan. Het moet kennis bijbrengen, maar ook kinderen informeren over hun rechten en mogelijkheden, hen mondig maken. Daarnaast moet een CFS kinderen een veilige, gezonde leeromgeving bieden, zonder discriminatie, misbruik of geweld, en moet het leerlingen- en ouderparticipatie bevorderen.

    Vlaggenschip
    De afgelopen tien jaar is, met steun van westerse overheden en internationale hulporganisaties, in tal van landen geëxperimenteerd met dit model. Het is het vlaggenschip van de onderwijsstrategie van Unicef, dat invoering van het concept steunt in 95 landen. Zo werden alle nieuwe scholen die na de tsunami onder overheidstoezicht zijn gebouwd, opgezet volgens de principes van het CFS.
    Het CFS-model is niet bedoeld als alternatief voor het reguliere onderwijs; het moet de norm worden voor alle formeel basisonderwijs met de overheid als de belangrijkste uitvoerder en financier.

    Het Child Friendly School-model en de implicaties voor de toepassing ervan zijn uitgebreid beschreven in het rapport ‘A Human Rights Based approach to Education’, dat Unesco en Unicef vorig najaar uitbrachten. Het is een veelbelovend model, maar in de uitvoering nog lang niet perfect, zoals blijkt uit een evaluatie van het CFS-concept onder leiding van David Osher van American Institutes for Research (2009).

    Relevant raamwerk
    Het onderzoeksteam bezocht 150 scholen in 6 landen in Afrika, Azië en Latijns-Amerika. Ze troffen veel tevreden en zelfs enthousiaste leerlingen, leerkrachten en ambtenaren, maar konden bijvoorbeeld niet de hand leggen op cruciale cijfers over opkomst en schooluitval. Ook vinden ze dat er (nog) meer aandacht moet zijn voor training en bijscholing van de leerkrachten.
    Toch concludeert Osher dat het CFS-initiatief ministers van onderwijs heeft voorzien van een nuttig en relevant raamwerk voor verbetering van het onderwijs. Het is een flexibel model, dat kan worden aangepast aan specifieke omstandigheden en behoeften.

    Geen groot bezwaar
    Dit zijn slechts een paar voorbeelden van een breed scala aan programma’s en projecten om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren. Als je enkel constateert dat het onderwijs in veel ontwikkelingslanden niet deugt, zonder te melden op welke manier regeringen en westerse donoren proberen die problemen te tacklen, zoals de heer Janssen doet, dan schets je een nogal eenzijdig beeld.

    In zijn proefschrift ‘De ontwikkelingshulp moet radicaal anders’ draagt Wiet Janssen ook een oplossing aan voor het onderwijsprobleem. Neem
    vakkennis en –kunde en de beginselen van het ondernemen op in het lager onderwijs, stelt hij voor, zodat kinderen hun ouders kunnen helpen de kost te verdienen. “Het is geen groot bezwaar als dat gaat ten koste van lezen en schrijven, want daar hebben arme kinderen meestal maar weinig aan om geld te verdienen”, schrijft hij.

    Andere maatstaven?
    Elk kind heeft recht op onderwijs van goede kwaliteit. Om later geld te kunnen verdienen, maar eerst en vooral ten behoeve van zijn eigen ontwikkeling en om volwaardig te kunnen deelnemen aan de samenleving. Gelden voor kinderen van arme ouders andere maatstaven, enkel en alleen omdat ze de pech hebben in een ontwikkelingsland te zijn geboren? Is het gerechtvaardigd voor westerse donoren om zulke lage ambities te hebben voor andermans kinderen?

    Al is het misschien niet de gemakkelijkste weg, uit de genoemde voorbeelden blijkt dat het mogelijk is het onderwijs aantrekkelijker, relevanter en effectiever te maken voor kinderen (en hun ouders) zonder te tornen aan hun rechten. Laten we daar met alle macht op inzetten.

    Jeanne Roefs

    [Reageer op deze reactie]

  2. Een zekere Iwanna – medewerkster bij UNICEF – schrijft op haar blog: Children in northern Ghana are lucky. They go to school maximum about 2 hours a day and the rest is play time with their mates around the school. This conclusion is not the result of scientific research, yet my conclusion after some observations. Everywhere we went the schools ‘happened to be’ on break. Such a coincidence. We visited eight primary schools in very remote northern Ghana, close to the Burkina Faso border. In all of them, except for one, the kids were running around outside. The very few teachers that did show up that day were hanging on their motorbikes under a tree. Chilling out, not having the slightest intention to teach. All the head teacher but one were on sick leave. It must be a horrible job as they all fall ill within months after being appointed.
    Aan het einde stelt ze niet de one million dollar maar de one billion dollar question: I would want to know where the one billion dollars that is spent yearly on education in Ghana has gone every year. But I’m not the minister. Lucky me. I’m just a bit worried sometimes that it doesn’t look like anything ever seems to change here.
    If you are interested, you can read the whole article on: http://iwannaschrijft.blogspot.com/2010/05/children-in-northern-ghana-are-lucky.html

    [Reageer op deze reactie]

Vindt u deze bijdrage de moeite waard? Geef ons dan uw fair share.

Doe een donatie via Paypal

Neem een abonnement en blijf op de hoogte van alles wat er speelt in de ontwikkelingssector.

Klik hier voor een abonnement