

Als het lager onderwijs alleen levenslessen doorgeeft aan kinderen uit arme gezinnen zullen ze nooit aan de armoede ontsnappen, vindt wetenschapper Wiet Janssen. Deze week gaat hij in op de verschillende reacties die er op zijn vorige stelling kwamen. ‘Ik heb niets tegen mensen met idealen, maar wel als die volslagen onrealistisch zijn.’
Ik heb verscheidene reacties gekregen op mijn stelling dat kinderen uit arme gezinnen op school niets leren waarmee ze geld kunnen verdienen. Eigenlijk bevestigen alle reacties dat het lager onderwijs slecht is en kinderen daar überhaupt maar weinig leren. En geen enkele reactie komt met argumenten waaruit blijkt dat kinderen uit arme gezinnen wél iets leren waarmee ze geld kunnen verdienen. De stelling is dus overeind gebleven.
Wel worden er andere zaken aangevoerd die kinderen op school kunnen leren; zaken die weliswaar niet helpen om geld te verdienen maar wel bijdragen aan een betere wereld: de kinderen krijgen seksuele voorlichting en informatie over hygiëne, ze leren zelf nadenken en keuzes maken, het onderwijs helpt meisjes een ander soort leven te kiezen, het helpt bij de opbouw van een democratische samenleving, het beschermt kinderen tegen kinderhandel en kinderarbeid en helpt ze bij het verwerken van trauma’s; en bij moeders met meer onderwijs is de kindersterfte lager (Wijbrandi).
Ook wordt de school gezien als een mogelijkheid om te ontsnappen aan een leven als kindsoldaat of aan het zware werk in een steengroeve. Bovendien zijn er al veel initiatieven genomen om het onderwijs te verbeteren. En het gaat het bij onderwijs toch in de eerste plaats over ‘eigen ontwikkeling en volwaardig deelnemen aan de samenleving’ (Roefs). Daarom zou het lager onderwijs tóch nuttig zijn, ook al helpt het de kinderen niet om geld te verdienen.
Die conclusie gaat niet meer over mijn stelling, maar ik wil er toch wel op ingaan. Echter, alles wel overwegende, denk ik dat die conclusie onjuist is.
Allereerst: een paar van de genoemde claims kloppen niet. Scholing draagt niet per se bij aan een democratische samenleving. Een democratie komt pas tot stand als er een middenklasse ontstaat. Er zijn heel veel studies die dat bevestigen. Een middenklasse komt pas tot stand bij een zeker welvaartsniveau: een inkomen per capita (koopkracht) van tenminste ca. $5000 (zie World Development Indicators 2009 tabel 1.1). Landen met een redelijk werkende democratie hebben in het algemeen een inkomen per hoofd dat minstens zo hoog is. Dat kinderen meer opleiding krijgen als hun moeders een hogere opleiding hebben is op zich wel juist, maar er is geen sprake van een oorzakelijk verband. Er is een derde oorzaak die beide bepaalt: de hoogte van het gezinsinkomen. Vrouwen met een hogere opleiding trouwen meestal met rijkere mannen. Maar het gezinsinkomen is de bepalende factor voor het opleidingsniveau van de kinderen (zie b.v. Behrman en Rosenzweig[1], zie ook verderop in dit artikel).
Dat de school het alternatief is voor de steengroeve, is natuurlijk ook niet waar. Kinderen die al jong moeten werken doen dat omdat ze geld moeten verdienen. 40% van de kinderen in sub-Sahara Afrika zijn chronisch ondervoed (volgend het criterium ‘stunted’, ofwel ‘te kort voor hun leeftijd’, zie WHO’s World Health report 2009). En volgens de cijfers van de FAO neemt de laatste jaren de ondervoeding weer sterk toe. Als het gaat om te overleven doen mensen, ouders zowel als kinderen, zwaar, gevaarlijk, vies en/of vernederend werk. En dan gaan de kinderen dus niet naar school.
En dat is wat diepe armoede is. Afhankelijk van hoe je diepe armoede meet gaat het om zo’n 15 – 25% van de wereldbevolking (zie b.v. de World Development Indicators 2009, tabel 2.8c, p 70). In zijn artikel in Vice Versa van 8 mei 2010 noemt Marc Broere zelfrespect en eigenwaarde als belangrijke doelen van ontwikkelingshulp. Prachtig, maar voor diegenen die in diepe armoede leven zit dat er gewoon niet in. Hun leven is vaak mensonterend. Het voert tot bedelen, diefstal, prostitutie en kinderarbeid. Het is godgeklaagd, maar zo is het. En dat soort armoede is vaak erfelijk: kinderen die geen toegang krijgen tot onderwijs waar ze wat aan hebben, krijgen zelf ook weer kinderen die in diepe armoede leven. Vooral voor de allerarmsten is een inkomen letterlijk van levensbelang.
Jeanne Roefs verzucht in haar reactie op mijn stelling: ‘Gelden voor kinderen van arme ouders andere maatstaven, enkel en alleen omdat ze de pech hebben in een ontwikkelingsland te zijn geboren?’ Helaas, het antwoord is ja!
In de praktijk wel! Het heeft geen zin om dezelfde eisen te stellen aan onderwijs aan arme kinderen in ontwikkelingslanden als aan kinderen in rijke landen. Die eisen zijn in de ontwikkelingslanden namelijk niet te realiseren. En op Roefs vraag: ‘Is het gerechtvaardigd voor westerse donoren om zulke lage ambities te hebben voor andermans kinderen?’, is mijn antwoord: Dat is vreselijk onrechtvaardig! Maar verontwaardigd roepen dat het een schande is, is misschien goed voor het gemoed, het helpt de armen echt geen steek verder.
Roefs komt met een lijst van initiatieven die de laatste 20 jaar zijn genomen om het onderwijs beter te maken. Maar ze noemt geen enkel onderzoek dat aantoont dat die verbeteringen voor de armste groepen iets geholpen hebben. En ik heb er ook geen één kunnen vinden. In ieder geval hebben die verbeteringen er niet toe geleid dat kinderen uit arme gezinnen nu ineens massaal naar school gaan. In de landen van sub-Sahara Afrika maakt van de armste 20% van de bevolking maar 8% van de kinderen de school af, en van de rijkste 20% is dat 49%, dat scheelt een factor zes (World Development Indicators 2008, tabel 2.14). Het is dus vooral het gezinsinkomen dat bepaalt of kinderen naar school gaan. Even goed heeft 92% van de kinderen uit arme gezinnen helemaal niets aan welke onderwijsverbeteringen dan ook, want ze gaan niet naar school. En zelfs die 8% die er wel voordeel van heeft geraakt na de school toch weer in de bittere armoede als er geen geld verdiend wordt. De kinderen van die kinderen komen dan toch weer op de vuilnisbelt of in de steengroeve terecht. En ook al hebben ze dan een andere kijk op sexualiteit, van de 50 cent per dag die ze dan verdienen gaan ze echt geen condooms kopen. De armen worden niets wijzer van het feit dat wij vinden dat ze ‘rechten’ hebben.
Ik heb niets tegen mensen met idealen, maar wel als die volslagen onrealistisch zijn, en als het nastreven van die idealen er alleen maar toe leidt dat zinvolle maatregelen die wel haalbaar zijn niet worden getroffen. De school biedt kinderen uit arme gezinnen de enige kans om iets te leren waarmee ze uit de armoede kunnen ontsnappen. Laten we (de rijke landen, de Nederlandse ontwikkelingsorganisaties, deskundigen op het gebied van onderwijs in ontwikkelingslanden) ze die kans geven! Laten we onderzoeken in welke sectoren er kansen liggen in de regio waar ze wonen, en laten we de armen de kennis en vaardigheden bijbrengen om een product of een dienst aan te bieden waarmee ze wat kunnen verdienen. Alleen dan kunnen ze volwaardig deelnemen aan de samenleving.
Vindt u deze bijdrage de moeite waard? Geef ons dan uw fair share.
Doe een donatie via Paypal
Neem een abonnement en blijf op de hoogte van alles wat er speelt in de ontwikkelingssector.
© 2010 Vice Versa is een onderdeel van lokaalmondiaal - Website ontwikkeling: tatemae
Kunnen de armste kinderen zich de moeite van naar school gaan besparen?
“De school biedt kinderen uit arme gezinnen de enige kans om iets te leren waarmee ze uit de armoede kunnen ontsnappen”, stelt Wiet Janssen en dat ben ik helemaal met hem eens. Maar het soort onderwijs dat Janssen voor ogen staat, houdt kinderen eerder gevangen in armoede, dan dat het daadwerkelijk perspectief biedt op een beter leven. Bovendien: als zo snel mogelijk geld verdienen het enige doel van onderwijs is, dan kunnen veel kinderen uit de armste en meest achtergestelde groepen zich de moeite besparen. Zoals Janssen zelf aangeeft, doen ze dat namelijk al.
Overbodige luxe
“Laten we onderzoeken in welke sectoren er kansen liggen in de regio waar ze wonen, en laten we de armen de kennis en vaardigheden bijbrengen om een product of een dienst aan te bieden waarmee ze wat kunnen verdienen”, bepleit Wiet Janssen in zijn laatste stuk. Het een voorstel waar geen zinnig mens het mee oneens kan zijn.
In zijn proefschrift voegt hij daar echter aan toe: “Het is geen groot bezwaar als dat gaat ten koste van lezen en schrijven, want daar hebben arme kinderen meestal maar weinig aan om geld te verdienen.” Uit zijn bijdragen op deze website blijkt verder dat hij ook allerlei andere zaken die een school kinderen kan bijbrengen, zoals sociale vaardigheden, een gevoel van eigenwaarde, inzicht in de maatschappij, en kennis van hygiëne en gezondheid overbodige luxe vindt.
Beperkte definitie
In geen enkel beleidsdocument, actieplan of onderwijsstrategie heb ik zo’n beperkte definitie van onderwijs gelezen, als Janssen hanteert. De wereldwijde Education For All-beweging, de Global Campaign for Education van ngo’s, het United Nations Girl’s Education Initiative (UNGEI) en het Fast Track Initiative om meer meisjes naar school te krijgen, maar ook netwerken als de Association for the Development of Education in Africa (ADEA) hebben – gelukkig – veel ambitieuzere doelstellingen. Ze geven de hoop voor kinderen uit de armste gezinnen om zich definitief uit de armoedeval te bevrijden niet bij voorbaat op; ze blijven zoeken naar manieren om ook die laatste 10 tot 15 procent uit de meest achtergestelde groepen naar school te krijgen. En om de kwaliteit van het onderwijs zelf te verbeteren.
Basale vaardigheden
Ook de Wereldbank rekent ‘communicatieve vaardigheden’ (waaronder lezen en schrijven, informatie verzamelen en toepassen in de communicatie met anderen, en informatie- en communicatietechnologie kunnen gebruiken als communicatiemiddel) tot de basale vaardigheden die nodig zijn om een inkomen te verdienen. Evenals probleemoplossend vermogen (kunnen analyseren en kritisch denken), leervermogen en sociale en persoonlijke vaardigheden. Ze worden genoemd in het STEP-framework (Skills Toward Employment and Productivity) dat de Wereldbank hanteert om beleidsmakers te adviseren hoe ze het onderwijssysteem moeten inrichten om economische groei, werkgelegenheid en ondernemerschap te bevorderen.
Geen nieuws
Dat de inkomsten of bijdragen van kinderen aan het gezinsinkomen voor arme families letterlijk van levensbelang zijn, is voor beleidsmakers uiteraard geen nieuws. Veel programma’s proberen dat verlies aan inkomsten te compenseren met een financiële toelage, voedsel of een werkgarantie voor de ouders. De laatste jaren wordt in veel landen geëxperimenteerd met zogenaamde ‘social protection’ programma’s, waarbij de armste gezinnen bijstand of een soort kinderbijslag ontvangen. In veel gevallen heeft dat een positieve invloed op de onderwijsdeelname van kinderen uit die gezinnen (EFA-Global Monitoring Rapport 2010, pag. 294 en 295).
Resultaten
Hebben de onderwijsverbeteringen voor de armste groepen die ik eerder noemde iets geholpen? Voornamelijk dankzij de invoering van de ‘Escuela Nueva’ op het platteland van Colombia, steeg het aantal leerlingen tussen 1988 en 1996 met 47,5 procent; in de steden was dat slechts 7,6 procent. In een vergelijkende studie van 11 landen in Latijns-Amerika, was Colombia, na Cuba en muv megasteden, het enige land waar plattelandsscholen beter presteerden dan scholen in de stad (Colbert, 2009).
Invoering van tweetalig en intercultureel onderwijs, in combinatie met andere innovaties, leidde tot een forse toename van onderwijsdeelname op het platteland van Bolivia. In 1992 maakte maar 41 procent van de leerlingen op het platteland de lagere school af; in 2003 was dat 74 procent (Contreras en Talavera Simoni, 2003).
Vier miljoen leerlingen
Bij de Bengaalse ngo BRAC, die in 1985 begon met non-formeel onderwijs voor kinderen uit de armste en meest achtergestelde groepen, hebben inmiddels ruim 4 miljoen kinderen de lagere school doorlopen. Volgens BRAC is het verzuim minder dan 10 procent, 90 procent maakt de school af en tenminste 95 procent slaagt voor het afsluitende examen aan het eind van het vijfde leerjaar. 90 Procent stroomt door naar het regulier onderwijs. Op de scholen van BRAC zitten meer meisjes dan jongens, veel kinderen uit sloppenwijken, etnische groepen en gehandicapte kinderen. BRAC bereikt in meerderheid kinderen die anders geen onderwijs zouden volgen, zeggen ook onderzoekers (Ryan, Jennings, White, 2007).
Kindvriendelijke scholen in heel China
Het Child Friendly School-concept (CFS), dat ook kinderen uit de meest gemarginaliseerde groepen toegang tot onderwijs garandeert, is relatief nieuw en begint pas de laatste jaren vruchten af te werpen. Onlangs besloot de Chinese regering het CFS-concept onderdeel te maken van het landelijke onderwijssysteem. In China, met zijn 171 miljoen kinderen in leerplichtige leeftijd, gaat 95 procent van de kinderen naar school. Er zijn echter grote verschillen in onderwijsdeelname en kwaliteit van scholen in de stad en op het platteland; 7 miljoen leerplichtige kinderen volgen helemaal onderwijs.
Een ander probleem is dat de enorme prestatiedruk op de scholen ten koste gaat van de creatieve ontwikkeling, en van sociale en andere op werk (!) gerichte vaardigheden van de leerlingen. Sinds 2001 experimenteert de Chinese overheid, in samenwerking met Unicef, met het CFS-model. Na een succesvolle pilot op 1000 scholen op het platteland, onderzoekt de overheid nu hoe het concept kan worden geïntegreerd in het landelijke onderwijssysteem.
Behalve in China, wordt in nog 94 andere landen geëxperimenteerd of al gewerkt met dit onderwijsmodel
Zo onrealistisch zijn die onderwijshervormingen dus niet.
Geen toverformule
Azië is geen Afrika en een aanpak die in het ene land werkt, levert in het andere misschien niets op. Er bestaat geen toverformule om kinderen uit de armste en meest achtergestelde groepen goed onderwijs te bieden. Het is maatwerk, afgestemd op specifieke omstandigheden, behoeften en mogelijkheden. Daarom wordt er ook zoveel geëxperimenteerd met onderwijshervormingen. Het ‘EFA-Global Monitoring Rapport 2010 – Reaching the most marginalized’ biedt een aardig overzicht van wat er de afgelopen twintig jaar wereldwijd aan onderwijshervormingen werd en wordt geprobeerd en wat daarvan de resultaten zijn.
Tweede kans-onderwijs
Voor sommige groepen kinderen biedt het soort onderwijs dat Wiet Janssen voorstaat misschien nog de enige kans op werk en een inkomen. Adolescenten, die nooit de kans hebben gehad om onderwijs te volgen; schoolverlaters; straatkinderen en werkende kinderen die niet (meer) de tijd, het concentratievermogen of de discipline hebben om nog lang op school te zitten. Voor deze groepen bestaan ook al de nodige projecten en programma’s. Maar in het algemeen wordt het beschouwd als tweede kans-onderwijs; een reparatiemethode voor kinderen die helaas de boot hebben gemist.
Ik neem maar aan dat de heer Janssen het ook als zodanig bedoelt, want ik kan me niet voorstellen dat hij oprecht pleit voor zo’n armoedig onderwijs-concept voor alle kinderen uit arme families.
Wettelijke verplichting
Tenslotte: ‘De armen worden niets wijzer van het feit dat wij vinden dat ze ‘rechten’ hebben’, stelt Janssen. Ook dat ben ik niet met hem eens. Het gaat er namelijk niet om wat wij vinden, maar welke wettelijke verplichtingen wij op ons hebben genomen door ondertekening van internationale mensenrechtenverdragen. Zoals het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (VRK). In dat verdrag, dat muv de VS en Somalië, door alle landen in de wereld is geratificeerd, is vastgelegd wat het recht op onderwijs zou moeten inhouden (Art 28 en 29), inclusief de rol van internationale samenwerking daarbij (Art 28, lid 3).
Ontplooiing
Volgens het VRK dient het onderwijs aan het kind onder meer gericht te zijn op: ‘de zo volledig mogelijke ontplooiing van de persoonlijkheid, talenten en geestelijke en lichamelijke vermogens van het kind’ (art 29, lid a). Het heeft even geduurd – het VRK kwam in 1989 tot stand – maar na jaren van intensieve lobby door kinderrechtenorganisaties wereldwijd, vormen de bepalingen in dit verdrag voor de meeste ministers van onderwijs, donorlanden, onderwijsdeskundigen en ontwikkelingsorganisaties inmiddels de basis van alle beleid, actieplannen en samenwerkingsovereenkomsten.
Sleutelrol
En dat is maar goed ook, want ik ben ervan overtuigd dat armen er wel degelijk wijzer van worden, wanneer ze ook zélf vinden dat ze rechten hebben. En weten waar en hoe ze dat recht kunnen halen. Om dat te kunnen doen, moet je een zeker zelfvertrouwen hebben, gevoel van eigenwaarde. Het helpt ook enorm als je begrijpt hoe de samenleving in elkaar zit; kunt analyseren en kritisch denken; informatie verzamelen en toepassen; kennis hebt van je rechten en weet wanneer je wordt uitgebuit of anderszins ongelijk of onrechtvaardig wordt behandeld.
Onderwijs van goede kwaliteit kan daarbij een sleutelrol vervullen.
[Reageer op deze reactie]