Denk mee met Ellen: Aristoteles en de directiesalarissen

Door: op 1 december 2010 geplaatst in Blog - E-mail dit artikel | Print dit artikel

Vice Versa stelt een nieuwe medewerker en blogger aan u voor: Ellen Mangnus. Ze gaat onder andere een serie maken waarin ze actuele discussies op het terrein van ontwikkelingssamenwerking voorlegt aan bekende filosofen uit de wereldgeschiedenis. Vandaag de aftrap: wat zou Aristoteles hebben gedacht van de discussie over directiesalarissen bij ontwikkelingsorganisaties?

Ik ben Ellen Mangnus, 26 jaar en junior bij het Koninklijk Instituut voor de Tropen. Ik prijs mezelf gelukkig onderdeel te mogen zijn van een geweldig instituut in een dynamische context, namelijk de ontwikkelingssector.

Een sector met veel gepassioneerde mensen en interessante debatten! Maar wanneer debatten gevoerd worden door gepassioneerde, soms overtuigde mensen dreigt het gevaar dat deze mensen geen oor hebben voor elkaar. En dat komt natuurlijk niet ten goede aan de ontwikkeling van onze sector. Zoals Socrates zegt: praktische wijsheid bereik je enkel door dialoog! Vanaf vandaag zal ik regelmatig een debat dat gaande is in de ontwikkelingssector, voorleggen aan een grote filosoof. Dit met als doel te reflecteren op onze standpunten. We beginnen met de discussie over de salarissen van directieleden.

Aristoteles geeft raad; Beloningsstructuren in de ontwikkelingssector.

Vandaag, op 1 december, buigt de Tweede Kamer zich over de salarissen in de ontwikkelingssamenwerking. Het debat over de beloning van directieleden is al een aantal maanden hevig aan de gang. Hieronder weergegeven zijn enkele van de verschillende standpunten die de voor- en tegenstanders van hoge lonen aanvoeren.

Kees-Jaap Ouwerkerk, woordvoerder van staatssecretaris Knapen. ‘Het gaat in deze discussies om maatschappelijke organisaties die belastinggeld krijgen om aan armoedebestrijding te doen. Dan mag je best goed nadenken over waar je mee bezig bent.’

Vanessa Nigten, brancheorganisatie Partos: ‘De boodschap dat ontwikkelingssamenwerking echt een vak en geen vrijwilligerswerk is, zou wat mij betreft breed uitgedragen moeten worden.’

Dirk Elsen, directeur van SNV: ‘Waarom moeten de normen in de ontwikkelingssector zo nodig afwijken van het Balkenende ijkpunt? Moet onze sector het met minder doen dan een museum, hbo, universiteit, ziekenhuis of woningbouwcorporatie? Is ons werk dan zoveel minder complex dan dat van die andere sectoren?’

Hoe komt het dat dergelijke discussies juist nu oplaaien? Was er voorheen geen sprake van hoge salarissen in de ontwikkelingssector? Of was dit wel zo maar vonden we dit toen rechtvaardig en waarom dan? We kunnen de hele discussie pas begrijpen wanneer we deze plaatsen binnen een breder kader.

Zoeken naar nieuwe structuren

De discussie over de beloningen voor directieleden is onderdeel van een veel bredere en diepere discussie over hoe de ontwikkelingssector van de toekomst eruit moet gaan zien. Herstructureringen en veranderingen vinden vaak plaats in tijden van crisis. Verval stimuleert een zoektocht naar nieuwe structuren en houvast. De huidige budgettaire bezuinigingen van de overheid, de economische crisis en een veranderend politiek klimaat maken dat de ontwikkelingssector haar plaats opnieuw moet definiëren. Er moet opnieuw nagedacht worden over hoe de sector georganiseerd moet worden en welke normen en waarden daaraan ten grondslag liggen.

Bij een dergelijke zoektocht die afgelegd wordt door een sector die gekenmerkt wordt door een diversiteit van overtuigingen, drijfveren en ideologieën komen morele dilemma’s naar boven. Wat is ons doel en hoe mogen we dit nastreven?

De zoektocht wordt nog veel spannender door de introductie van een nieuw soort denken in de sector: het marktgerichte denken. Een sociale praktijk wordt beïnvloed door marktnormen. Dit betekent dat deze sociale praktijk opeens gewaardeerd moet worden. Mogen ambtenaren gestimuleerd worden met bonussen? Hoe meten we ons presteren?

En zoals het marktgerichte denken onderdeel van onze sector is geworden, zo zijn andere sectoren een grotere rol gaan spelen in de ontwikkelingssamenwerking. Het bedrijfsleven en de financiële sector zijn onmisbare actoren geworden. Met alle vragen van dien. Door deze actoren worden we ook gedwongen na te denken over wat wel en niet met belastinggeld mag en hoe we publiek geld mogen investeren.

Het definiëren van rechtvaardigheid

De context waarin we ons bevinden, is er dus een die om verandering vraagt. De introductie van nieuwe actoren in het speelveld vraagt om het herdefiniëren van onze rol en het marktgerichte denken vraagt om een kritische reflectie naar onze resultaten. En zodra we over resultaten nadenken, komen we ook op het terrein van directieleden. Het is duidelijk dat er verontwaardiging heerst wanneer we het over de beloningen hebben. En verontwaardiging komt voort uit een gevoel dat iets niet rechtvaardig is. Waarom vinden we het niet rechtvaardig dat directieleden van ontwikkelingsorganisaties hoge salarissen ontvangen?

Wanneer we vragen over rechtvaardigheid hebben, is Aristoteles degene bij wie we te rade moeten gaan. Aristoteles was een Griekse filosoof (384-322 voor Christus) en een van de invloedrijkste klassieke filosofen in de westerse filosofie. Hij is de grondlegger van het denken over rechtvaardigheid.

Aristoteles stelt twee voorwaarden voor het beoordelen of iets rechtvaardig is:

1- We moeten weten wat het doel is van de sociale praktijk waarover we willen oordelen.

2 -We moeten bepalen welke kwaliteiten bijdragen aan dit doel en dus beoordeeld/gewaardeerd moeten worden.

Aristoteles zegt dat rechtvaardigheid niet alleen over eerlijkheid en rechten gaat, maar ook over eer, deugd en goed leven. Hij stelt ook dat een sociale praktijk niet alleen een instrumenteel doel heeft maar dat ze ook een voorbeeldfunctie beoogt.

Beoordelen wat rechtvaardig is

Als sector hoeven we niet meer te beoordelen wat een rechtvaardig loon is. Het ministerie van Buitenlandse Zaken heeft een norm ingesteld. Deze zogenaamde DG-norm heeft als referentiekader het salaris van de hoogste ambtenaar van het directoraat-generaal Internationale Samenwerking. Deze norm ligt onder de norm die de VFI stelt. (VFI is de branchevereniging voor goede doelen). De VFI hanteert indicatoren om de verantwoorde hoogte van een salaris te bepalen. Het hoogste salarisniveau is bedoeld voor de grootste en meest complexe goede doelenorganisaties. Op basis van de criteria complexiteit, omvang, organisatorische context en directiemodel adviseert VFI verschillende salarisniveaus.

We hebben een norm en eigenlijk zouden we kunnen stellen: alles boven de norm is onrechtvaardig, alles onder de norm rechtvaardig. Wat zegt Aristoteles hiervan?

Het werkelijke debat

Volgens Aristoteles gaat het huidige debat er eigenlijk helemaal niet om of we het wel of niet eerlijk vinden dat de beloningen boven de norm komen en of dat mag met publiek geld. Er is meer aan de hand: we vinden de salarissen niet terecht omdat we er niet van overtuigd zijn dat ze tot ons doel leiden.

En zo komen we tot de kern van ons debat. Het instrumentele doel van onze sector is ‘armoedebestrijding’. De huidige norm is gebaseerd op de grootte van een organisatie en op de complexiteit en het directiemodel. Dat zegt niets over of directieleden hun organisatie kunnen stimuleren tot meer armoedebestrijding. Stel dat de OS bewezen had in 10 jaar 50% van de armoede de wereld uit te hebben geholpen, dan hadden we de beloning waarschijnlijk veel minder onrechtvaardig gevonden. Bovendien wordt het doel bereikt door een mix van mensen met managementkwaliteiten en mensen met gedegen vakinhoudelijke kennis. Aristoteles zou directieleden aanraden te analyseren wat hun bijdrage is aan armoedebestrijding en in welke mate hun kwaliteiten daaraan bijdragen.

Met ontwikkelingssamenwerking wil een regering ook een voorbeeld geven van waarden die een samenleving belangrijk vindt, zoals naastenliefde en solidariteit. Dit zijn waarden die niet uit te drukken zijn in geldbedragen. Het voelt dan ook niet rechtvaardig dat directieleden betaald worden voor het uitdragen van deze waarden.

Zowel op basis van het instrumentele doel als het gegeven dat de ontwikkelingssector een voorbeeldfunctie heeft, kunnen we kritische vragen stellen bij de hoge salarissen. Om te kunnen functioneren in een marktgericht systeem kunnen we enkel talentvolle managers aantrekken door een goede beloning. Maar Aristoteles betwijfelt of goede managers een minder deugdzaam en goed leven zouden hebben met een paar centen minder

Ellen Mangnus
Over de schrijver

Ellen Mangnus (28) werkt als adviseur duurzaam ketenbeheer op het Koninklijk Instituut voor de Tropen. Ze heeft ontwikkelingseconomie in Wageningen gestudeerd en deed haar werkervaring onder andere op in Nicaragua, waar ze via het Youth Zone programma van PSO naar was uitgezonden.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>

4 reacties op “Denk mee met Ellen: Aristoteles en de directiesalarissen

  1. Goed stuk! In deze discussie wordt vergeten dat het ook van belang is te streven naar een salaris dat relatief vergelijkbaar is met dat van onze zuidelijke collega-directeuren van NGO’s. Zowel met het oog op een gelijkwaardige samenwerking en om arbeidsmarkt in zuidelijke landen niet negatief te beinvloeden en daarmee het verschil tussen arm en rijk in de ontwikkelingslanden niet nog groter te maken. Er is al teveel sprake van een zuidelijke elite die bij de internationale gouvernementele en multilaterale organisaties werkt die te ver af staat van de mensen voor wij ze werkt.

    [Reageer op deze reactie]

  2. De vraag die ook gesteld moet worden is of de heren en dame in kwestie het werk niet geaccepteerd zouden hebben als ze minder betaald zouden hebben gekregen. En wat is hier marktconform? Met welke sector wordt er dan geconcurreerd? Laten we duidelijk zijn. Op het moment dat het argument marktconform wordt gebruikt, betekent dat altijd dat men hogere salarissen wil toekennen en vooral de discussie daarover in de kiem wil smoren. Hogere salarissen ondermijnen de sociale cohesie in de organisatie (kijk maar naar SNV), maken dat managers makkelijker van de ene (hoge) salaris naar de andere lopen en ondermijnt de geloofwaardigheid van de sector.
    Daar schiet de sector dus niets mee op. Hulde aan de transparantie. Ik hoop dat Knaven op dit punt zijn poot strak houdt. Het vertrek van deze heren en dame uit de sector schaadt namelijk niemand.

    [Reageer op deze reactie]

  3. Leuke opzet, dit weblog. Ik ben benieuwd ook naar andere filosofen en hun mening. Zou Plato ook voor het inschakelen van het bedrijfsleven zijn geweest bij ontwikkelingssamenwerking. Misschien een tip voor jou Ellen: geef je directeur Jan Donner een boek van Aristoteles cadeau voor Sinterklaas. Dat lijkt me een goede manier om hem op een ludieke doch serieuze manier te vragen om nog eens kritisch naar zijn salaris te kijken. Want hij zit dus kennelijk ook boven de DG-norm.

    [Reageer op deze reactie]

Vindt u deze bijdrage de moeite waard? Geef ons dan uw fair share.

Doe een donatie via Paypal

Neem een abonnement en blijf op de hoogte van alles wat er speelt in de ontwikkelingssector.

Klik hier voor een abonnement