‘Het is vreemd dat Knapen deze vragen überhaupt nog moet stellen’

Geschreven door: Vice Versa op 1 februari 2012 E-mail dit artikel | Print dit artikel

JongOS reageert op het non-paper van staatssecretaris Ben Knapen van ontwikkelingssamenwerking. Ze geven een reactie op de vijf trends die hij signaleert en doen een poging om sommige vragen te beantwoorden. ‘De toekomst voor maatschappelijke organisaties? Dat is openstelling voor amateurs die zelf een rol willen spelen in verandering.’

Na alle speculatie en hooggespannen verwachtingen rondom het non-paper leek het discussie-document in eerste instantie enigszins teleurstellend. Het blijkt om een driepagina tellend document te gaan waarin alleen maar vragen worden gesteld. Toch is het een duidelijke uitnodiging aan maatschappelijke organisaties om met goede onderbouwingen te komen; iets wat al lange tijd gebeurt natuurlijk, maar wat blijkbaar nog niet duidelijk genoeg is overgekomen. Eigenlijk is het vreemd dat Knapen deze vragen überhaupt nog moet stellen. Hij kan de antwoorden klaarblijkelijk niet vinden in het werk dat verricht wordt door maatschappelijke organisaties.

Hoewel het maatschappelijk middenveld zich vast goed laat horen, vreest JongOS de defensieve valkuil. De valkuil waarin organisaties het gevoel hebben zich te moeten verdedigen. Het belang van je organisatie moet je niet gaan verdedigen, maar voor zichzelf laten spreken. Als Knapen er dan opnieuw vraagtekens bij zet kun je je afvragen of je niet via alternatieve financiële bronnen je meerwaarde wilt laten zien die de onafhankelijkheid van je missie en activiteiten kan verzekeren.

Hieronder onze reactie op de vijf trends die de staatssecretaris in het non-paper signaleert en een poging om sommige vragen te beantwoorden.

1. Nieuwe ontwikkelingsdoelen
Een nieuwe wereld heeft bij het ministerie van Buitenlandse Zaken geleid tot nieuw beleid. Hoewel er verschillende uitwerkingen denkbaar zijn, waren wij in de veronderstelling dat Internationale Samenwerking allang ingevoerd beleid was. De verschuiving naar mondiale ontwikkeling lijkt eerder een gegeven dan een discussiepunt. Nu nog een verschuiving naar geïntegreerd, coherent beleid. Om mondiale ontwikkeling te stimuleren zijn er uiteenlopende invloeden nodig. Naast de overheden die op hoofdlijnen verantwoordelijk zijn voor veiligheid en toegang tot basisdiensten, bedrijven die groei tot doel hebben en kennisinstituten die kennis genereren, spelen georganiseerde burgers hierbij een essentiële rol.

Een steeds belangrijker wordende rol is het leggen van (internationale) verbindingen met en tussen uiteenlopende gemotiveerde individuen die willen opkomen voor mondiale ontwikkeling en rechtvaardige toegang tot internationale publieke goederen voor iedereen. De complementaire inzet van alle maatschappelijke actoren is noodzakelijk, dus ook die van middenveld-groeperingen. Het gaat er echter niet alleen om in hoeverre deze groeperingen bijdragen aan de ontwikkelingsdoelen van de overheid. De hele samenleving kan namelijk mondiale ontwikkeling beïnvloeden. Juist ook vanwege de gedeelde belangen kan het overheidsbeleid niet het enige uitgangspunt voor de Nederlandse bijdrage zijn.

2. Niet langer één op één
Ngo’s zijn terecht op zoek naar alternatieve financiële bronnen en gaan allianties met bedrijven aan. In sommige bijdragen op deze site kan vaak de typisch bange reactie gelezen worden van de oude garde. Die garde kan geen afscheid nemen van overheidsfinanciering en ondertussen klaagt ze over het keurslijf dat hen door de overheid wordt aangemeten. Hoewel sociaal ondernemerschap een oplossing kan zijn voor het overleven van maatschappelijke organisaties, blijft het de vraag of eenzelfde tangconstructie als nu het geval is bij MFS-organisaties kan worden voorkomen.

3. Grote diversiteit
René Grotenhuis gaf eerder ook een aanzet waarin staat dat maatschappelijke organisaties zich scherper moeten profileren als organisaties van burgers. Het gevaar is dat het bij pr blijft en niet een verandering is die de organisatie zelf ondergaat. Het gaat niet alleen om I like. Maatschappelijke organisaties moeten ook steeds meer ingang creëren voor I participate. Er komt een nieuwe generatie die zelf de producent van verandering wil zijn en minder overlaat aan een professionele organisatie. Dit spreekt onder meer de jonge generatie aan, waarvan het idealistische deel ook wel wordt aangeduid als de involve me generatie.

Er bestaat een hele garde aan jonge vernieuwers die zich op persoonlijke titel inzetten voor mondiale ontwikkeling. Vorig jaar organiseerde JongOS het jaar A Call 2 Action. Nadat veel was gesproken over vernieuwing van Internationale Samenwerking nam deze groep het initiatief om zelf over te gaan tot actie. De deelnemers willen de uitgangspunten voor mondiale ontwikkeling mainstream maken in de brede Nederlandse samenleving.

Uit dit succesvolle actiejaar – met ontstane groepen die nu zelfstandig opereren – valt te leren dat Nederlanders bereid zijn zich actief in te zetten voor mondiale ontwikkeling wanneer activiteiten aansluiten bij hun leefwerelden. Laagdrempelig en transparant, gebruikmakend van alle kansen die het internet biedt, stellen zij concrete doelen op die praktische onderwerpen aanpakken. Het blijft niet bij het eigen wereldje, maar betrekt allerlei partijen om ruimte te bieden aan nieuwe ideeën en een breed gedragen beweging te creëren.

De overheid doet er goed aan dit soort ontstane bewegingen te stimuleren. Door initiatieven te stimuleren die vernieuwend zijn, verfrissend en vanuit de veranderingsdrift van individuen. Deze producenten van verandering bij jong en oud spelen in op de behoefte van de overheid aan flexibiliteit en maatwerk. Ondersteuning vanuit de overheid aan deze bewegingen of organisaties in de vorm van startkapitaal, kennis, samenwerking enzovoorts, stimuleert werken aan praktische onderwerpen en het mainstreamen van het gedachtegoed van Internationale Samenwerking voor ontwikkeling in alle sectoren van de samenleving. De overheid dient een kader te scheppen voor open samenwerkingsvormen waaruit hybride internationale verbanden ontstaan die verder gaan dan de sector ontwikkelingssamenwerking en deze noodgedwongen opent.

4. Opkomst Zuidelijke ngo’s
In een Nederlandse maatschappij waarbij de ontwikkelingsorganisaties zijn getransformeerd tot open organisaties of verenigingen die allerlei thema’s op de politieke en publieke agenda in nationale en lokale contexten zetten, voeren die organisaties zelf geen werk meer uit in ontwikkelingslanden. Op nationaal niveau doen dat maatschappelijke organisaties uit die landen zelf die eventueel via programma’s worden gesubsidieerd door de Nederlandse overheid, EU of maatschappelijke organisaties uit andere landen. Wat een welkome ontwikkeling.

De ontwikkeling van sterke lokale ngo’s is in veel gevallen toe te schrijven aan het werk van maatschappelijke organisaties hier. Dit is nou bij uitstek iets waar de ngo’s wellicht gedeeltelijk de credits voor mogen claimen. Maar het is logisch om capaciteitsontwikkeling, waar het kan, juist aan die sterke Zuidelijke ngo’s over te laten, gezien zij het beste hun eigen regering weer ter verantwoording kunnen roepen. Wat dat betreft zouden die Zuidelijke ngo’s direct aanspraak kunnen maken op subsidiering van de Nederlandse overheid.

5. Afnemend vertrouwen
In de brede samenleving voelen mensen zich niet meer gerepresenteerd door maatschappelijke organisaties. Het huidige Nederlandse maatschappelijk middenveld dat zich toelegt op internationale samenwerking is nu een gesloten sector die vanwege dat representatieprobleem in allerlei hoekjes wordt weggezet waar ze niet in wil zitten. En dat is zonde, want internationale samenwerking heeft betrekking op iedereen en overal waardoor eenieder er een rol in kan spelen.

Het lijkt erop dat juist professionalisering heeft bijgedragen voor het feit dat burgers argwanend staan tegenover ontwikkelingssamenwerking. Wanneer je als maatschappelijke organisatie echt verandering onder burgers in Nederland wil teweegbrengen moet je dus niet op een manier professionaliseren waardoor je meer vervreemdt van de achterban, maar eigenlijk ‘amateuriseren’.

De toekomst voor maatschappelijke organisaties? Dat is openstelling voor amateurs die zelf een rol willen spelen in verandering. De organisaties die overblijven kaarten thema’s aan met hulp van geld van particuliere leden en niet-donoren. De rest van de organisaties is waarschijnlijk failliet en heeft geen achterban meer die voor ze zorgt. De overgebleven spelers zullen voor bepaalde activiteiten nog steeds overheidsgeld ontvangen dat gereserveerd is voor maatschappelijke doelstellingen.

Door Maarten Kuijpers, Vanessa Nigten en Annabel Meurs namens de stuurgroep van JongOS, het netwerk van 1350 jong professionals werkzaam op het gebied van Internationale Samenwerking. JongOS gaat over bovenstaande uitgangspunten de komende tijd graag in gesprek. Voor opmerkingen, samenwerking, voorbeelden en/of inspiratie, neem contact op met JongOS!

Vindt u deze bijdrage de moeite waard? Geef ons dan uw fair share.

Doe een donatie via Paypal

Neem een abonnement en blijf op de hoogte van alles wat er speelt in de ontwikkelingssector.

Klik hier voor een abonnement

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>

5 reacties op “‘Het is vreemd dat Knapen deze vragen überhaupt nog moet stellen’

  1. De volwassen stem van JongIS. Meer gestuurd vanuit waarden dan belangen. ‘Involve me’ generatie komt op voor rechtvaardige toegang tot internationale publieke goederen voor iedereen. Exit professionals???

    [Reageer op deze reactie]

    Frank van der Linde Reply:

    Ik heb me altijd geërgerd aan ‘vrijwilligers versus professionals’. Alsof je als vrijwilliger niet professioneel zou kunnen zijn… En zogenaamde ‘professionele’ organisaties klungelen wat af. Het wordt tijd dat we met elkaar, betaald en onbetaald, de problemen in de maatschappij aanpakken waarbij we inderdaad iedereen die bij wil dragen ‘involven’… Maatschappelijke organisaties moeten weer MAATSCHAPPELIJKE organisaties worden…. Dan kunnen we ook met minder geld véél meer doen… Weg met die dure buros die veel te veel verdienen aan het oplossen van maatschappelijke uitdagingen…. Involve ze… Maak ze onderdeel van de uitdaging, dan werken ze graag gratis mee (of anders de medewerkers van zulke buros wel) aan het oplossen van de problemen…

    [Reageer op deze reactie]

  2. Als mede Jong OS lid moet ik toegeven de redenering in dit stuk te onderschrijven. En misschien moeten we maar blij zij dat Knapen geen paper heeft geschreven zoals we in eerste instantie hoopten. Nu gooit hij de discussie verder open. Hopelijk gooit hij hem hiermee niet dood…

    Inhoudelijk viel me de zin op in de vierder paragraaf: ‘De ontwikkeling van sterke lokale ngo’s is in veel gevallen toe te schrijven aan het werk van maatschappelijke organisaties hier. Dit is nou bij uitstek iets waar de ngo’s wellicht gedeeltelijk de credits voor mogen claimen.’
    Mijn vraag hierop: is dit wel zo? Ik pleit zelf voor een ander scenario.
    Noordelijke NGOs zouden een positieve invloed hebben op zuidelijke NGOs door middel van capaciteits opbouw. Ik betwijfel of hier een positief causaal verband te vinden is. Ik ben tegen het generaliseren en te snel trekken van conclusies, hier moet ik dus zelf ook niet in verzanden.

    Noordelijke en zuidelijke NGOs hebben partnerschappen in vele vormen en maten. Maar naar mijn idee overheerst nog steeds de oude donor (dus wij beslissen wat u doet) – ontvanger (wij doen wat u beslist) relatie. Hoe hard er ook gewerkt wordt aan het verbeteren van organisaties en het trainen van haar medewerkers. Dit partnerschap tussen noord en zuid, zoals iedereen weet, is cruciaal.
    Zelf ben ik werkzaam in de microfinancieringssector en specifiek in de richting van capaciteits opbouw. Nog heel vaak zie ik Amerikaanse of Europese clubs besluiten nemen die direct invloed hebben op het reilen en zeilen van een zuidelijke NGO. Vanuit Den Haag, Washington, Parijs of Londen worden strategische en idealistische keuzes gemaakt voor zuidelijke NGOs. Nieuwe sociale of ecoligische trends, nieuwe producten voor klanten, nieuwe boekhoudsystemen, etc. Of de MFIs deze aanpassingen in beleid en interventies ook nodig hebben, is vaak nog ondergeschikt aan wat ‘de sector vindt’ of de noordelijke partner ‘op de agenda heeft staan’. Ook ontwikkelingssamerking ondergaat hypes, en we vliegen van het ene model naar de andere interventie.

    Begrijp me niet verkeerd. Natuurlijk snap ik dat aan een (financieel) partnerschap eisen verbonden zijn. Natuurlijk weet ik dat er ook verantwoording over het geld moet worden afgelegd in het noorden. En dat zuidelijke en noordelijke partners een zelfde visie moeten onderschrijven (in zekere zin).
    Maar structureel mis ik toch belangrijke elementen. Ik zie nog te vaak dat onder het mom van capaciteits opbouw organisaties worden opgescheept met de zoveelste evaluatie, vernieuwing of verschuiving.

    Daarom vraag ik me af of de rol van noordelijke NGOs in de capaciteits opbouw van zuidelijke partners wel zo positief is. Natuurlijk is een eenduidig antwoord niet te vinden. Maar ik denk wel dat de positieve en opbouwende invloed van noordelijke NGOs vaak overschat wordt. Aansluitend op deze kritische noot, zie ik wel een aantal focus punten die wij als noordelijke NGO in de gaten kunnen houden:
    - de ontwikkeling is al in gang gezet: maak besluitvorming lokaal. Gelukkig worden steeds meer financierings besluiten (en daarbij komende interventies/eisen) niet meer in het noorden genomen.
    - zoek lokale co-financiering/co-partnerschappen. Zeker als het gaat om investeringen of bijvoorbeeld technologische ontwikkelingen, is er geld beschikbaar. Natuurlijk is dit niet voor elke regio het geval. Maar wat betreft de donor-darlings zijn er veel mogelijkheden. Lokaal (financieel) draagvlak zal de duurzaamheid vergroten en de onmisbaarheid van de noordelijke clubs verkleinen.
    - wanneer het gaat om capaciteits opbouw, werk samen met lokale consutlant companies. Het mes snijdt aan twee kanten: consultants zijn ingebed in de regio, hebben kennis van de context, daarnaast zijn ze goedkoper, en kunnen dus langduriger betrokken worden bij het project. Aan de andere kant, genereert de inzet van deze consultants dus lokaal werkgelegenheid.

    Tot slot, capaciteits opbouw is onderhevig aan trends en veranderingen. Dat kunnen we niet tegen gaan. Ik denk dat we zuidelijke NGOs het ‘ownership’ moeten geven om te kunnen kiezen waar ze in mee willen gaan of niet.

    [Reageer op deze reactie]

  3. Wat een progressief en positief stuk met eens geen verdedigende houding. Wat mij betreft neemt de jonge generatie (waar ik mezelf niet meer toe reken) zo snel mogelijk de leiding binnen Nederlandse NGOs…. Aan de zittende directeuren de vraag om ruimte te maken…

    [Reageer op deze reactie]