‘Nederland moet internationale migratie onderdeel van ontwikkelingsbeleid maken’

Het Nederlandse ontwikkelingsbeleid wordt op dit moment ingrijpend hervormd. Migratie vormt daarvan geen integraal onderdeel. Toch zou dat wel moeten. Annelies Zoomers, hoogleraar internationale ontwikkelingsstudies in Utrecht, legt uit waarom.

In het nieuwe ontwikkelingsbeleid tracht de Nederlandse overheid in te spelen op een snel veranderende wereld. In dit artikel pleit ik ervoor ook meer aandacht te besteden aan migratie en bevolkingsmobiliteit, niet als separaat onderwerp, zoals tot nu toe gebeurde onder de noemer ‘migratie en ontwikkeling’, maar als integraal onderdeel van ‘gewoon’, effectief en realistisch, ontwikkelingsbeleid.

Migratiestromen

Internationale migratie valt niet meer weg te denken uit de wereld van vandaag. In 2005 werd het aantal internationale arbeidsmigranten geschat op 175-200 miljoen, ongeveer 3 procent van de wereldbevolking (GCIM 2005; Farrant et al. 2006). Volgens de International Organization for Migration zal dat aantal in 2050 zijn gestegen tot 400 miljoen, circa 7 procent van de huidige wereldbevolking.

Het migratie- en ontwikkelingsbeleid richtte zich tot nu toe vooral op Zuid-Noord-migratie. Toch blijkt slechts een fractie van de wereldwijde migratie noordelijke bestemmingen te hebben als de EU, VS en Canada. Daarbinnen ziet slechts een handjevol migranten Nederland als voorkeursbestemming. Als men voor Nederland kiest, is het in sommige gevallen als tijdelijke bestemming – totdat zich een betere mogelijkheid voordoet.

Het grootste deel van de internationale migratie is op zuidelijke bestemmingen gericht. Een klassieke vorm van Zuid-Zuid-migratie (of eigenlijk Zuid-Oost of Zuid-West) is de trek naar landen aan de Perzische Golf, zoals Kuweit, Oman, Qatar, Saudi-Arabië en de Verenigde Emiraten. Het gaat dan vooral om tijdelijke arbeidsmigratie van ongeschooldemannen uit Zuid- en Zuidoost-Azië (Bangladesh, India, Pakistan, Sri Lanka, Indonesië, de Filippijnen en Thailand), en steeds vaker uit Noord- en Oost-Afrika. Maar ook het aantal vrouwen uit Indonesië, de Filippijnen en Sri Lanka neemt er toe. Gelijktijdig dienen zich nieuwe interessante bestemmingsgebieden aan, zoals China, India en Brazilië. Ook migranten uit noordelijke gebieden zoeken overigens hun heil in deze emerging economies.

Diaspora

Een groot deel van de Zuid-Zuid-migratie voltrekt zich in de eigen regio, binnen het land zelf of naar buurlanden. Dit geldt vooral voor de migratie vanuit de relatief armste landen. Zo zijn veel mensen uit Burkina Faso en Mali naar Ivoorkust, Nigeria en Senegal getrokken. Paraguayanen en Bolivianen trokken tot voor kort vooral naar Argentinië, Nicaraguanennaar Costa Rica en Hondurezen naar Mexico. In Thailandwonen een miljoen Birmezen en ook vanuit Indonesië, de Filippijnen, Thailand en Vietnam vindt een aanzienlijke migratie plaats naar bestemmingen in de eigen regio (Lucas 2004).

Potentieel oversee

Tot nu toe gaat het beleid uit van een positieve link tussen migratie en ontwikkeling. Denk aan remittances, waarbij migranten geld sturen naar hun thuisland. Maar in de praktijk is het per land verschillend of het al dan niet van migratie kan profiteren.

Landen met een duidelijk gerichte Zuid-Noord-stroom, zoals Mexico (naar de VS) of Senegal (naar Frankrijk of Spanje), zijn dankzij de migratie in de ontvangende landen duidelijk in the picture. Daardoor hebben ze een sterkere onderhandelingspositie, zeker als er ook nog sprake is van historische verbondenheid. Om tegemoet te komen aan de eisen die de noordelijke landen stellen in hun toelatings- en uitzettingsbeleid, zien de zuidelijke landen zich echter wel vaak genoodzaakt om zelf strenger op te treden tegen de instroom vanuit hun buurlanden. Zo leggen de VS aan Mexico de verplichting op om zijn zuidgrens dicht te houden en tegen illegalen op te treden. Een soortgelijke situatie doet zich voor in Senegal. Om zich te kwalificeren voor ‘legale migrantenplaatsen’ wordt Senegal via bilateral agreements met de EU, Spanje en/of Frankrijk verplicht zijn grenzen hermetisch af te sluiten en strenger om te gaan met illegalen uit de buurlanden.

Ook de positie van de diasporic states is relatief gunstig. Zij hebben een aanzienlijke bevolking buiten hun grenzen die via geldovermakingen en investeringen kan dienen als ontwikkelingspotentieel. Landen als China, India, de Filippijnen, Mexico, Brazilië, Nigeria, Kaapverdië en Ghana ontwikkelen daarom beleid om meer te profiteren van hun potentieel ‘overzee’. Zij doen een beroep op migranten die succesvol zijn geïntegreerd en kunnen zodoende beschikken over een grote groep highly skilled en capitalrich investeerders. Het is een verklaring voor de snelle economische groei van de BRICs (Brazilië, Rusland, India,China), maar ook van landen als Zuid-Korea en Zuid-Afrika. Voor de allerarmste landen, waar overwegend Zuid-Zuid-migratie over korte afstand plaatsvindt, betekent dit soms een tijdelijke verlichting van problemen als voedselschaarste en werkloosheid.

Verder zijn er weinig voordelen. De migranten naar de Golfstaten hebben geen mogelijkheid zich hier permanent te vestigen; er is bovendien discriminatie en de arbeidsvoorwaarden zijn slecht. Ook elders hebben de Zuid-Zuid-migranten het niet goed. Ze zijn in hoge mate overgeleverd aan het beleid van de bestemmingsgebieden in de eigen regio, waar conflicten zich relatief snel in interstatelijke problemen vertalen. Ook hier is sprake van discriminatie en vreemdelingenhaat.

Waarom een nieuw beleid?

Tot nu toe ging het bij migratie en ontwikkeling om een ‘smalle’ agenda, die los staat van het ‘gewone’ ontwikkelingsbeleid. De meeste aandacht was daarbij gericht op het beperken van de migratie naar Nederland en het stimuleren van terugkeer en circulaire migratie.

Het migratie- en ontwikkelingsbeleid is in sterke mate gebaseerd op een angst voor invasie. De indruk wordt gewekt dat mensen uit Afrika, Azië en Latijns-Amerika en masse op zoek zijn naar een beter bestaan in Europa of andere noordelijke bestemmingen, zoals de VS of Canada. ODA-middelen worden gebruikt voor onder meer de training van douaneambtenaren, het verschaffen van apparatuur voor betere grenscontroles, programma’s gericht op vrijwillig vertrek, en het opzetten van weeshuizen voor de opvang van minderjarige asielzoekers in de eigen regio. Bovendien bestaat er discrepantie tussen de herkomstlanden van migranten die in Nederland verblijven en de partnerlijst: migranten in Nederland zijn vaak niet afkomstig uit de armste ontwikkelingslanden; ontwikkelingsmiddelen worden dus ingezet voor landen die niet voorkomen op de partnerlijst.

In het nieuwe ontwikkelingsbeleid wordt onvoldoende aandacht besteed aan internationale migratie of bevolkingsmobiliteit. Toch vormt deze mobiliteit een cruciale factor in ontwikkelingskwesties. Er zijn dan ook diverse redenen te noemen waarom Nederland deze tot integraal onderdeel van zijn beleid zou moeten maken:

* Eigenbelang. In het huidige, eenzijdige migratie- en ontwikkelingsprogramma ontbreekt een visie op de eigen toekomst. De toenemende vergrijzing en de daaruit voortvloeiende selectieve behoefte aan migranten wordt niet onderkend. Hoe Nederland een voorkeursbestemming kan worden van migranten die aan onze behoeften voldoen – daar is niet over nagedacht. Het is niet duidelijk hoe we gaan concurreren met andere landen zodra er sprake is van wereldwijde schaarste. Zelfs de schaarste aan verplegend personeel die nu al dreigt, zet ons niet aan het denken. Dat de interessantste groepen migranten liever naar Groot-Brittannië, India of China dan naar Nederland trekken, ook daarover maken we ons onvoldoende zorgen. Wat wij hoog op de agenda hebben staan, is juist migratiebeperking en het stimuleren van terugkeermigratie. Maar dat is niet in ons eigenbelang.

* Partnerlanden. In alle vijftien door Nederland gekozen partnerlanden speelt migratie een grote rol. Ofwel vanwege de stuwende kracht van geldovermakingen, investeringen en handelsactiviteit van migranten in hun wereldwijde diaspora; ofwel omdat er volop wordt onderhandeld met de EU over de toelating van migranten; ofwel omdat er op grote schaal sprake is van displacement en gedwongen vertrek, bijvoorbeeld als gevolg van grootschalige landontginning voor de productie van voedsel en biobrandstoffen of de bouw van dammen.

* Voedselzekerheid. Daarnaast is er een directe link tussen migratie en de thema’s waar Nederland prioriteit aan geeft: voedselzekerheid, water, reproductieve gezondheidszorg en veiligheid. Voor sommige landen (Golfstaten, China, Japan en India bijvoorbeeld) komen de huidige rush for land en de investeringen in off shore landbouw namelijk vooral voort uit de groeiende noodzaak om niet alleen de eigen bevolking, maar ook de immigranten van goedkoop voedsel en energie te voorzien. Landen als Vietnam en Indonesië willen eveneens een belangrijke rol gaan spelen op de wereldvoedsel- en energiemarkt.

* Nederlandse expertise. De problemen die vaak gepaard gaan met internationale migratie bieden Nederland een uitgelezen kans om zijn expertise op het terrein van mensenrechten te tonen. Mensenhandel, discriminatie, vreemdelingenhaat: het zijn urgente problemen die om een oplossing vragen, en Nederland (lees ‘the Hague’) is bij uitstek geschikt om hier een prominente voortrekkersrol te spelen. Dat kan alleen mits de agenda niet beperkt blijft tot de groepen die (toevallig) naar Nederland migreren.

* Klimaatproblemen. Er is een directe link tussen migratie en klimaatproblemen, en het feit dat grote groepen op dit moment wonen in gebieden die niet climate proof zijn. Dit heeft invloed op hun voedselzekerheid, watervoorziening, veiligheid, gezondheid, enzovoort. Alleen al in Azië woont 40 procent van de bevolking op een afstand van minder dan 60 km van de kustlijn. Naar schatting zullen ongeveer 332 miljoen mensen in laaggelegen (kust)zones worden bedreigd door overstromingen en/of tropische stormen. Het aantal environmental refugees wordt geschat op 10 miljoen (Black 2001), niet alleen als gevolg van overstromingen, maar ook vanwege schaarste aan hulpbronnen en verwoestijning. Het zal leiden tot grootschalige – maar waarschijnlijk wel geleidelijke – bevolkingsverplaatsingen en nieuwe vraag naar land (Black 2001 en Castles 2002).

* Tweeslachtigheid. In het kader van o.a. Frontexoperaties werkt Nederland mee aan het opwerpen van barrières voor migratie vanuit Afrikaanse landen. Anderzijds zijn we erop uit om onze eigen invloed in deze landen te vergroten. Dat is tweeslachtig. Door landen te verplichten illegalen tegen te houden, hebben we immers een negatieve impact op vreemdelingenhaat.

Als het gaat om een nieuw migratie- en ontwikkelingsbeleid kan Nederland nog een voorbeeld nemen aan verschillende ‘ontwikkelingslanden’. Ook wij zouden moeten nadenken over de vraag hoe we beter kunnen profiteren van de eigen diaspora.

Annelies Zoomers is hoogleraar internationale ontwikkelingsstudies aan de Universiteit Utrecht en voorzitter van de IS-academie Land governance for equitable and sustainable development (www.landgovernance.org).

Dit is een verkorte versie van het essay van Annelies Zoomers dat in de publicatie ‘Vice Versa leert over migratie en ontwikkeling’ verscheen op 24 februari. Direct op de hoogte blijven? Neem dan nu een abonnement! Als u bovendien nu een abonnement neemt en graag deze publicatie nog wilt ontvangen, stuur dan een aparte mail naar: abonnementen[a]viceversaonline.nl

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>

Vindt u deze bijdrage de moeite waard? Geef ons dan uw fair share.

Doe een donatie via Paypal

Neem een abonnement en blijf op de hoogte van alles wat er speelt in de ontwikkelingssector.

Klik hier voor een abonnement