<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?> <rss version="2.0" xmlns:content="http://purl.org/rss/1.0/modules/content/" xmlns:wfw="http://wellformedweb.org/CommentAPI/" xmlns:dc="http://purl.org/dc/elements/1.1/" xmlns:atom="http://www.w3.org/2005/Atom" xmlns:sy="http://purl.org/rss/1.0/modules/syndication/" xmlns:slash="http://purl.org/rss/1.0/modules/slash/" ><channel><title>Vice Versa &#187; Vice Versa</title> <atom:link href="http://www.viceversaonline.nl/vice-versa/feed/" rel="self" type="application/rss+xml" /><link>http://www.viceversaonline.nl</link> <description>Vakblad over ontwikkelingssamenwerking</description> <lastBuildDate>Fri, 03 Feb 2012 14:34:25 +0000</lastBuildDate> <language>en</language> <sy:updatePeriod>hourly</sy:updatePeriod> <sy:updateFrequency>1</sy:updateFrequency> <generator>http://wordpress.org/?v=3.2.1</generator> <xhtml:meta xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml" name="robots" content="noindex" /> <item><title>Landoverdracht in Afrika is spelen met vuur</title><link>http://www.viceversaonline.nl/2011/08/landoverdracht-in-afrika-is-spelen-met-vuur/</link> <comments>http://www.viceversaonline.nl/2011/08/landoverdracht-in-afrika-is-spelen-met-vuur/#comments</comments> <pubDate>Thu, 18 Aug 2011 06:44:50 +0000</pubDate> <dc:creator>Nadine van Dijk</dc:creator> <category><![CDATA[Nieuws]]></category> <category><![CDATA[Vice Versa]]></category> <category><![CDATA[Joost Nelen]]></category> <category><![CDATA[land]]></category> <category><![CDATA[SNV]]></category> <category><![CDATA[Thea Hilhorst]]></category><guid isPermaLink="false">http://www.viceversaonline.nl/?p=14900</guid> <description><![CDATA[De stijgende vraag naar voedsel en biobrandstoffen maakt Afrikaanse landbouwgrond bijzonder gewild. Sommige Afrikaanse overheden stimuleren stadse elites om grote stukken land op te kopen. Deze elites worden gezien als vernieuwers die de voedselzekerheid zullen garanderen. In werkelijkheid kleven er serieuze risico’s aan deze investeringen.  <a href="http://www.viceversaonline.nl/2011/08/landoverdracht-in-afrika-is-spelen-met-vuur/">Verder lezen <span class="meta-nav">&#8594;</span></a>]]></description> <content:encoded><![CDATA[<p><strong><a rel="attachment wp-att-14908" href="http://www.viceversaonline.nl/2011/08/landoverdracht-in-afrika-is-spelen-met-vuur/5190627819_8975371783_b/"><img class="alignleft size-medium wp-image-14908" title="Tanzanian farmer with drought-affected maize" src="http://www.viceversaonline.nl/wp-content/uploads/2011/08/5190627819_8975371783_b-300x221.jpg" alt="" width="213" height="156" /></a>De stijgende vraag naar voedsel en biobrandstoffen maakt Afrikaanse landbouwgrond bijzonder gewild. Sommige Afrikaanse overheden stimuleren stadse elites om grote stukken land op te kopen. Deze elites worden gezien als vernieuwers die de voedselzekerheid zullen garanderen. In werkelijkheid kleven er serieuze risico’s aan deze investeringen. </strong></p><p><strong> </strong></p><p>Het beeld van internationale bedrijven die land opkopen in Afrika is <a href="http://nos.nl/artikel/191758-rijke-landen-doen-aan-landjepik-in-afrika.html" target="_blank"><span style="text-decoration: underline;">bekend</span></a>. Deze ontwikkeling is onmiskenbaar, hoewel het merendeel van het Afrikaanse platteland nog niet wordt overspoeld door buitenlandse investeerders, aldus Joost Nelen, ontwikkelingsdeskundige van SNV in Burkina Faso. Onlangs verscheen een <a href="http://www.future-agricultures.org/index.php?option=com_docman&amp;task=doc_download&amp;gid=1269&amp;Itemid=971 (of http://www.future-agricultures.org/index.php?option=com_docman&amp;Itemid=971">rapport </a>van de hand van Nelen, Nata Traoré van SNV en Thea Hilhorst van het KIT, waaruit blijkt dat  het aandeel van lokale investeerders in de race om grondbezit minstens zo omvangrijk is als die van buitenlandse investeerders.</p><p>Deze trend werd eerder al gesignaleerd. Zo blijkt uit een dit jaar verschenen <a href="http://econ.worldbank.org/external/default/main?pagePK=64165259&amp;theSitePK=469382&amp;piPK=64165421&amp;menuPK=64166322&amp;entityID=000334955_20110208033706" target="_blank">rapport </a>van de Wereldbank dat het aandeel van lokale investeerders in grote landovernames in sommige ontwikkelingslanden hoog is. In Nigeria kwam tussen 1990<sup> </sup>en 2006 zelfs 97% van de totaal verkochte grond in handen van ondernemers uit datzelfde land<a href="#_ftn1">[1]</a>. Nelen en Hilhorst deden onderzoek in Benin, Burkina Faso en Niger. De werkelijke omvang van landovernames is volgens hen moeilijk te meten, doordat veel transfers onofficieel plaatsvinden. Duidelijk is wel dat de laatste tien jaar steeds vaker en grotere stukken land binnen de eigen economie worden opgekocht.</p><p><strong> </strong></p><p><strong>Ongefundeerd</strong></p><p>In sommige landen, waaronder Burkina Faso, speelt de overheid een belangrijke rol in het stimuleren van landtransfers. Dit gebeurt vanuit de ideologie dat stadselites met hun welvaart de aangewezen groep zijn om het platteland zo te ontwikkelen, dat de toekomstige generatie gevoed kan worden. Nelen noemt deze aanname ongefundeerd. In de praktijk is tot nu toe weinig van innovatie terecht gekomen. Ook de claim dat de investeringen werkgelegenheid op zullen leveren blijkt vals. De meeste nieuwe grondeigenaren laten er familieleden wonen, of wachten met gebruik van het land totdat ze het aan een buitenlands bedrijf kunnen verkopen.</p><p>De investeerders hebben geen agrarische kennis. Dat dit een gebrek is, blijkt uit de manier waarop de kersverse grondbezitters hun land bewerken, waarbij ze bestaande milieuwetgeving vaak negeren. Ze gebruiken ongeschikt materieel waardoor bomen en vruchtbare bovenlaag van het land verdwijnen. Nelen stelt dat overheden te weinig toezien op het naleven van de regels. Hoewel in sommige landen, zoals Niger, sinds lange tijd wetgeving rondom landtransfers bestaat, knijpen andere overheden een oogje toe, soms onder druk van investeerders met politieke invloed.</p><p><strong>Spelen met vuur</strong></p><p>Hoewel overheden heil zien in de landtransfers, kunnen dorpsbewoners legitieme redenen hebben om overdracht te weigeren. Zo heeft de productiviteit te lijden onder de grootschalige verkoop van land. Het aanhouden van landreserves is een voorwaarde voor duurzame landbouw: braakgronden garanderen bodemopbouw en zijn essentieel voor veehouderij en bosproducten. Met het verkopen van die reserves wordt de toekomst van jonge boeren op slot gezet, aldus Nelen</p><p>Bovendien kan de verkoop van land tot uitsluiting van sociaal zwakkere groepen leiden. In de Sahel is het gebruikelijk dat meerdere groepen mensen van hetzelfde land gebruik maken, dorpsleiders fungeren daarbij als rentmeesters. Wanneer een investeerder land opkoopt wordt hij de rechtmatige eigenaar daarvan, en verliezen lokale vrouwen en veehouders het recht tot toegang. Zij moeten dan op zoek naar andere plaatsen om hout en vruchten te verzamelen en vee te laten grazen. Het uitsluiten van deze groepen is in sommige gevallen het directe doel van de verkoper van het land. Sommige dorpsleiders maken misbruik van leemtes in wetgeving, waarin geen verschil wordt gemaakt tussen ‘rentmeesterschap’ en ‘eigendom’. Zij grijpen hun kans om via verkoop land dat soms decennia door verschillende ‘pachters’ wordt beheerd, formeel te claimen. Nelen noemt dat ‘spelen met vuur’: de verkoop van land creëert zo een mijnenveld van lokale conflicten.</p><p><strong>Lokale boeren</strong></p><p>Een mogelijke oplossing ligt in het erkennen van vakkennis. Boerenorgansaties worden in de landoverdracht weinig gekend. Volgens Nelen is het onbegrijpelijk dat degenen met verstand van landbouwinnovatie vaak pas in een laat stadium worden geraadpleegd over investeringen die in de naam van voedselzekerheid gebeuren. Hij noemt het een ‘gemiste kans’ dat overheden inzetten op externe investeerders, in plaats van het potentieel van lokale boeren te erkennen. Nelen: ‘Worden zij daadwerkelijk betrokkken bij investeringen op het platteland, dan maak ik me geen seconde druk over voedseltekort.’</p><p>&nbsp;</p><p><em> </em></p><p><em>Het onderzoek dat is uitgevoerd voor het <span style="text-decoration: underline;">rapport</span> ‘Agrarian change onder radar screen’ werd gefinanceerd door de ‘<a href="http://www.landgovernance.org">IS Land Academie</a>’ en SNV, en uitgevoerd door KIT en SNV in samenwerking met Agriterra en lokale boerenorganisaties. </em></p><p><em> </em></p><div><hr size="1" /><div><p><a href="#_ftnref1">[1]</a> Rapport Wereldbank: <em>Agriculture and Rural Development, </em>overview XXXIII</p></div></div> ]]></content:encoded> <wfw:commentRss>http://www.viceversaonline.nl/2011/08/landoverdracht-in-afrika-is-spelen-met-vuur/feed/</wfw:commentRss> <slash:comments>0</slash:comments> </item> <item><title>The Times They are a-Changing</title><link>http://www.viceversaonline.nl/2010/09/the-times-they-are-a-changing/</link> <comments>http://www.viceversaonline.nl/2010/09/the-times-they-are-a-changing/#comments</comments> <pubDate>Fri, 03 Sep 2010 06:00:31 +0000</pubDate> <dc:creator>Marc Broere</dc:creator> <category><![CDATA[In Vice Versa 4]]></category> <category><![CDATA[Vice Versa]]></category> <category><![CDATA[Ontwikkelingsorganisaties]]></category> <category><![CDATA[publieke steun]]></category><guid isPermaLink="false">http://www.viceversaonline.nl/?p=2800</guid> <description><![CDATA[De publieke en politieke steun voor ontwikkelingssamenwerking wordt steeds kleiner. Dat is bedreigend, maar kan verhulde zegen zijn. Het dwingt ontwikkelingsorganisaties namelijk om zichzelf opnieuw uit te vinden. <a href="http://www.viceversaonline.nl/2010/09/the-times-they-are-a-changing/">Verder lezen <span class="meta-nav">&#8594;</span></a>]]></description> <content:encoded><![CDATA[<p><strong><a rel="attachment wp-att-2555" href="http://www.viceversaonline.nl/2010/07/nieuw-bloed-voelt-zich-niet-welkom/marcweb/"><img class="alignleft size-full wp-image-2555" title="marcweb" src="http://www.viceversaonline.nl/wp-content/uploads/2010/07/marcweb.jpg" alt="" width="210" height="135" /></a>De publieke en politieke steun voor ontwikkelingssamenwerking wordt steeds kleiner. Dat is bedreigend, maar kan verhulde zegen zijn. Het dwingt ontwikkelingsorganisaties namelijk om zichzelf opnieuw uit te vinden.</strong></p><p>Op het moment dat ik deze Beschouwing schrijf heeft Nederland nog geen nieuw kabinet. Wel hebben de afgelopen verkiezingen duidelijk gemaakt dat Nederland een behoorlijke ruk naar rechts heeft gemaakt. Hoewel dat niet automatisch gevolgen hoeft te hebben voor de hoogte van het ontwikkelingsbudget (kijk naar het Verenigd Koninkrijk, waar onder de conservatieve regering van David Cameron de grootste bezuinigingsoperatie ooit wordt uitgevoerd, maar zowel de zorgsector als de ontwikkelingssamenwerking buiten schot blijven) zal dat in Nederland waarschijnlijk wél het geval zijn. De grootste winst werd immers behaald door de VVD en de PVV, partijen die de ontwikkelingssamenwerking – exclusief noodhulp – respectievelijk willen halveren of afschaffen.</p><p>Ook uit alle recent verschenen onderzoeken over de publieke steun voor ontwikkelingssamenwerking blijkt dat de gouden tijden over zijn. Uit het Kieskompas, dat in de aanloop naar de verkiezingen door 360 duizend mensen was ingevuld, bleek dat een meerderheid van 57 procent vindt dat er bezuinigd mag worden op steun aan arme landen. Deze mening hebben voornamelijk rechtse kiezers, maar ook in de achterban van de PvdA, SP en D66 vindt een flinke minderheid inmiddels dat er best iets van het ontwikkelingsbudget af kan. TNS Nipo constateerde kort daarvoor al dat 54 procent van de kiezers vindt dat Nederland te veel geld besteedt aan ontwikkelingssamenwerking in vergelijking met andere landen, terwijl de ongekroonde koning van onze opiniemetingen, Maurice de Hond, in een opdracht van Artsen zonder Grenzen concludeerde dat 53 procent van de Nederlandse bevolking twijfelt over het nut van hulp aan arme landen. De onderzoeken laten een duidelijke trendbreuk zien, want tot slechts enkele jaren geleden kwam uit vrijwel iedere meting naar voren dat Nederland een draagvlak van ongeveer 80 procent kende dat minimaal voor handhaving van het Nederlandse ontwikkelingsbudget was. Zoals Bob Dylan in de jaren zestig zong:<em> ‘The times they are a-changing.’</em></p><p><strong>Vrijbrief</strong></p><p>Nu hoeft twijfel over ontwikkelingssamenwerking helemaal niet erg te zijn, als die tenminste leidt tot een debat over de betrekkelijkheid van hulp en over betere en meer structurele manieren om de mondiale ongelijkheid te verkleinen. Ontwikkelingshulp kán de armoede niet oplossen en is daar ook nooit voor bedoeld geweest, betoogde ik al in eerdere stukken: hulp is slechts een bijgerecht – en eerlijke handel moet het hoofdgerecht zijn.</p><p>Twijfel over ontwikkelingssamenwerking is echter wél zorgelijk als die een teken is dat ons land zich aan het afkeren is van haar mondiale verantwoordelijkheid. Jan Pronk constateert in zijn column (zie Vice Versa 4) met spijt dat de verkiezingen alleen maar over ons eigen land gingen. Het feit dat politici niet gevraagd werd om rekenschap af te leggen over het buitenlandbeleid, en dat zij dat ook niet uit zichzelf deden, betekent dat ze voor de komende jaren een vrijbrief hebben gekregen om met het buitenland te doen wat ze willen, betoogt Pronk. Deze vrijbrief baart ook mij ernstige zorgen, want met opkomen voor onze mondiale verplichtingen denken politici vandaag de dag nog maar weinig kiezers meer te trekken. Welke politicus durft het nog aan om pal voor mondiale solidariteit te gaan staan?</p><p>Waar ik benieuwd naar ben, is hoe de Nederlandse ontwikkelingsorganisaties in dit nieuwe krachtenveld gaan opereren. Er zijn verschillende scenario’s mogelijk. De kans bestaat dat ze zich nog meer zullen laten leiden door hun eigen institutionele belang en overlevingsdrift. Zij die nog in de race zijn voor overheidssubsidie zullen zich tot 1 november, de dag waarop het salomonsoordeel over MFS-2 wordt geveld, in elk geval koest houden. Maar omdat er hoe dan ook minder geld beschikbaar zal zijn dan voorheen, zullen organisaties manieren moeten bedenken om minder afhankelijk van de Nederlandse overheid te worden. Dat betekent nog meer fondsenwerving onder het Nederlandse publiek, met het gevaar van een platte en onrealistische boodschap waarmee ze elkaar proberen af te troeven. Ik ben bang dat zo niet alleen politici maar ook de marketeers en fondsenwervers van ontwikkelingsorganisaties een vrijbrief zullen krijgen. En dat is evenmin een vrolijk vooruitzicht.</p><p><strong>Overlevingsdrang</strong></p><p>Ten tweede verwacht ik dat organisaties op zoek gaan naar fondsen buiten Nederland. De Verenigde Staten bijvoorbeeld kent tal van grote en kleinere particuliere  <em>foundations </em>en een rijke traditie van filantropie. Net als in de tijd van het Wilde Westen valt hier nog heel wat te ontginnen, ook voor Nederlandse ngo’s. De vraag is echter of het zal ‘klikken’ met Nederlandse ngo’s, omdat deze particuliere fondsen ofwel heel charitatief zijn of juist een veel bedrijfsmatiger aanpak hebben dan Nederlandse ontwikkelingsorganisaties gewend zijn.</p><p>Dan is er nog de mogelijkheid tot decentraliseren, een proces waar na ICCO nu ook Oxfam Novib mee gaat beginnen. Steeds meer verantwoordelijkheden worden hiermee naar lokale veldkantoren overgeheveld. Dat kan strategisch een slimme zet zijn. De Europese Unie is van plan om veel meer ontwikkelingsgeld direct naar ‘het Zuiden’ over te maken in plaats van te besteden via noordelijke hulporganisaties, en ook het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid doet aanbevelingen in deze richting. Het uitgangspunt van decentralisatie vind ik uitstekend. Het is in feite een gevolg van succesvolle ontwikkelingssamenwerking, omdat de capaciteit in het Zuiden zo sterk is geworden dat de uitvoering en begeleiding van projecten nu lokaal gedaan kan worden en de westerse ngo zich vooral op het lobbywerk hier kan richten. Het zou echter verkeerd zijn als voornamelijk uit overlevingsdrang voor deze decentralisatie wordt gekozen en de veldkantoren van Oxfam Novib en ICCO concurrenten worden van zuidelijke ontwikkelingsorganisaties omdat ze om dezelfde fondsen gaan strijden.</p><p>Tot slot is echter nog een laatste scenario denkbaar. Wat ik hoop is dat ontwikkelingsorganisaties zichzelf gaan heruitvinden; dat ze zich niet vanuit hun eigen belangen op de toekomst gaan bezinnen, maar mensen weer een oprecht en actueel verhaal gaan vertellen over armoede. Alleen daarmee kun je mensen weer voor je winnen. En dan niet om hun portemonnee te trekken, maar om weer (en meer) betrokken te raken bij de ongelijkheid in de wereld. De oplossing zit niet in nog betere rapportages over succesvolle projecten of in reclamecampagnes, maar in eerlijke communicatie.</p><p><strong>Henk en Ingrid</strong></p><p>Eerlijke communicatie bijvoorbeeld over wat ontwikkelingssamenwerking nu eigenlijk is. Op de interessante bijeenkomst van Singing a New Policy Tune in Ede (zie ook pagina 6) merkte een van de deelnemers terecht op dat een groot deel van het Nederlandse publiek niet is meegegaan in de stappen die de ontwikkelingssamenwerking door de jaren heen heeft gezet. Mensen denken bij ontwikkelingssamenwerking nog steeds aan schooltjes, weeshuizen en gezondheidsposten, terwijl het bij de meeste professionele ontwikkelingsorganisaties allang gaat om capaciteitsopbouw en het werken aan een <em>civil society</em> in het Zuiden. Ontwikkelingsorganisaties moeten de uitdaging aangaan om juist ook dít werk op een goede manier over het voetlicht te brengen en niet telkens – onder druk van de fondsenwervers – in de fuik te vallen om een beeld neer te zetten dat inmiddels achterhaald is. En verder, zoals op diezelfde bijeenkomst werd gesteld, ook veel beter duidelijk maken waarom het ook in ons eigen belang is dat de armoede een halt wordt toegeroepen. Anders valt er over vijftig jaar namelijk ook voor de kinderen van Henk en Ingrid weinig lol meer te beleven op deze wereld.</p><p>Ontwikkelingsorganisaties moeten het grote verhaal over de ongemakkelijke waarheid van armoede vertellen door in te zoomen op mensen die daar de dupe van zijn en die daar tegen strijden. In mijn boek  <em>Berichten over Armoede</em> heb ik al geschreven dat Nederlandse ontwikkelingsorganisaties zich niet lijken te realiseren wat voor goudmijn aan verhalen ze in huis hebben. Via hun partnerorganisaties hebben ze toegang tot duizenden mensen die de ongemakkelijke waarheid van armoede een gezicht kunnen geven, die met vallen en opstaan proberen vooruit te komen in hun leven binnen een internationale context die hen vijandig gezind is. Met zulke krachtige persoonlijke levensverhalen hebben ontwikkelingsorganisaties een ijzersterke troef in handen in het debat over de mondiale verantwoordelijkheid van Nederland.</p><p>Misschien is het helemaal nog niet zo slecht dat het draagvlak een stuk minder is geworden. Ik hoop dat het ontwikkelingsorganisaties dwingt om de juiste keuzes te maken. Laat ze maar eens helemaal opnieuw beginnen om mensen bewust te maken van de ongemakkelijke waarheid van armoede. Als mensen weer geraakt worden bestaat de kans ook dat ze zelf inzien dat het een schande is dat Nederland van een voorloper op het gebied van mondiale solidariteit nu opeens een achterblijver dreigt te worden. Soms is een stapje terug even nodig om vervolgens weer twee vooruit te kunnen zetten.</p> ]]></content:encoded> <wfw:commentRss>http://www.viceversaonline.nl/2010/09/the-times-they-are-a-changing/feed/</wfw:commentRss> <slash:comments>0</slash:comments> </item> <item><title>Macht aan de medewerkers</title><link>http://www.viceversaonline.nl/2010/08/macht-aan-de-medewerkers/</link> <comments>http://www.viceversaonline.nl/2010/08/macht-aan-de-medewerkers/#comments</comments> <pubDate>Tue, 24 Aug 2010 06:00:26 +0000</pubDate> <dc:creator>Marusja Aangeenbrug</dc:creator> <category><![CDATA[Het Wereldje]]></category> <category><![CDATA[In Vice Versa 4]]></category> <category><![CDATA[Vice Versa]]></category> <category><![CDATA[Anna Chojnacka]]></category> <category><![CDATA[Eelco Fortuijn]]></category> <category><![CDATA[Vernieuwing]]></category><guid isPermaLink="false">http://www.viceversaonline.nl/?p=2810</guid> <description><![CDATA[Echte vernieuwing gaat veel verder dan samenwerken, reorganiseren, twitteren en bloggen, betogen Anna Chojnacka en Eelco Fortuijn. ‘Alle informatie moet vrij beschikbaar komen.’ <a href="http://www.viceversaonline.nl/2010/08/macht-aan-de-medewerkers/">Verder lezen <span class="meta-nav">&#8594;</span></a>]]></description> <content:encoded><![CDATA[<p><strong><a rel="attachment wp-att-3019" href="http://www.viceversaonline.nl/2010/08/macht-aan-de-medewerkers/machtmede/"><img class="alignnone size-medium wp-image-3019" title="machtmede" src="http://www.viceversaonline.nl/wp-content/uploads/2010/08/machtmede-300x204.jpg" alt="" width="300" height="204" /></a>Echte vernieuwing gaat veel verder dan samenwerken, reorganiseren, twitteren en bloggen, betogen Anna Chojnacka en Eelco Fortuijn. ‘Alle informatie moet vrij beschikbaar komen.’</strong></p><p><em>Beeld: Leonard Fäustle</em></p><p>Ze bruisen van de ideeën en raken enthousiast van nieuwe snufjes om nóg makkelijker informatie te delen. Stilletjes afwachten hoe de wereld verandert is aan hen niet besteed. Ze zijn liever zélf de ‘veranderaars’.</p><p>Anna Chojnacka, oprichter en directeur van de 1%CLUB, en Eelco Fortuijn, oprichter van Fairfood en tegenwoordig directeur van Goede Waar &amp; Co, vinden niet dat er veel moet veranderen. Nee, er gaat veel veranderen, zeggen ze. Vanzelf. Ze zien het al om zich heen gebeuren.</p><p>Zelf hebben ze het voortouw genomen. Zo zijn Fairfood en Goede Waar &amp; Co een luis in de pels van de voedsel- en kledingindustrie: ze zetten de belangen van producenten in ontwikkelingslanden bovenaan. Eerlijke handel is de sleutel tot een betere wereld, stelt Eelco Fortuijn.</p><p>De 1%CLUB brengt mensen bij elkaar die kennis, tijd of geld nodig hebben bij het opzetten van hun project, en anderen die deze kennis, tijd of geld juist willen bijdragen. Zo ontstaan oplossingen voor heel specifieke vragen, is Anna Chojnacka’s ervaring. ‘Als een vrouw in een dorpje boven de boomgrens in Peru niet aan brandstof kan komen, is er altijd wel iemand die een <em>solar cooker</em> heeft ontwikkeld die geschikt is voor die hoogte.’</p><p><em><em><a rel="attachment wp-att-2814" href="http://www.viceversaonline.nl/2010/08/macht-aan-de-medewerkers/cv-anna/"><img class="alignleft" title="CV Anna" src="http://www.viceversaonline.nl/wp-content/uploads/2010/08/CV-Anna.bmp" alt="" width="310" height="214" /></a></em>Anna, jij hebt samen met Bart Lacroix de 1%CLUB opgericht. Waarom?</em><br /> <strong>AC:</strong> ‘Toen ik stage liep bij de Verenigde Naties, viel mij op dat veel mensen niet meer precies weten hoe hun werk zich verhoudt tot wat er in ontwikkelingslanden gebeurt. Ook komt er van al het geld dat geïnvesteerd wordt naar mijn gevoel maar weinig rechtstreeks terecht bij de mensen voor wie het bedoeld is. En dat terwijl je zo veel goede dingen kunt creëren met weinig middelen, als de juiste mensen elkaar maar vinden en direct kunnen communiceren. Daarom kreeg ik het idee voor een online marktplaats, waar vraag en aanbod bij elkaar komen. Iedereen kan wel 1 procent van zijn tijd of geld besteden. Want was is nou 1 procent? Kijk naar een pizza: 1 procent daarvan is bijna niets. Het is mijn missie om mensen die het goede willen doen zo veel mogelijk met elkaar te verbinden en in staat te stellen met elkaar te communiceren.’</p><p><em>Eelco, wat was voor jou de reden om Fairfood op te richten?</em><br /> <strong>EF:</strong> ‘Tijdens mijn stages in ontwikkelingslanden kwam ik veel in contact met boeren en ontwikkelingsorganisaties. Steeds weer hoorde ik verhalen over veelbelovende ondernemers die het toch niet redden, bijvoorbeeld omdat het ondernemersklimaat niet goed was, vanwege oneerlijke concurrentie op de markt of omdat ze geen toegang tot kapitaal hadden. Ik wilde aanvankelijk in Brussel of bij de VN proberen om de systemen te veranderen. Maar ik zag dat er in Nederland geen enkele organisatie was die een koppeling maakte tussen micro-, meso- en macro-economie. Ik wilde die niveaus aan elkaar koppelen.’</p><p><em>Hoe kan die koppeling bijdragen aan vernieuwing van ontwikkelingssamenwerking?<a rel="attachment wp-att-2815" href="http://www.viceversaonline.nl/2010/08/macht-aan-de-medewerkers/cv-eelco/"><img class="alignright" title="CV Eelco" src="http://www.viceversaonline.nl/wp-content/uploads/2010/08/CV-Eelco.bmp" alt="" width="289" height="298" /></a><br /> </em><strong>EF:</strong> ‘Eerlijke handel is cruciaal in armoedebestrijding. Het ondernemersklimaat is ongunstig voor ondernemers in ontwikkelingslanden. Zij kunnen verwerkte eindproducten nauwelijks afzetten in het Westen, terwijl het voor het Westen heel gunstig is om onbewerkte oogst te importeren uit ontwikkelingslanden. Echte armoedebestrijding vindt pas plaats als mensen in ontwikkelingslanden hun producten ter plekke kunnen verwerken tot eindproducten en vervolgens aan ons kunnen verkopen.’</p><p><em>Maar er zijn toch diverse ontwikkelingsorganisaties die lobbyen voor eerlijke handel?</em><br /> <strong>EF:</strong> ‘Klopt, maar ik zie nog te weinig successen. Dat kan ook niet zolang er geen aanpassingen komen in de macro-economie. Daar ligt de echte uitdaging. De minister van Economische Zaken is eigenlijk de minister voor Ontwikkelingssamenwerking, want híj sluit handelsakkoorden. Als in die verdragen niet de juiste afspraken worden gemaakt, kun je net zoveel projecten opstarten als je wilt, maar bereik je niets.’</p><p><em><a rel="attachment wp-att-2814" href="http://www.viceversaonline.nl/2010/08/macht-aan-de-medewerkers/cv-anna/"></a>Anna, welke vernieuwing is volgens jou hoognodig?</em><br /> <strong>AC: </strong>‘Ontwikkelingsorganisaties en medewerkers moeten meer vrijheid en eigen verantwoordelijkheid krijgen. Een voorbeeld: in de ontwikkelingssector wordt eindeloos gerapporteerd. En elke keer als ontwikkelingssamenwerking weer ter discussie staat, bedenkt men weer een nieuwe manier van verslaglegging. Daar gaat erg veel tijd in zitten en uiteindelijk weten medewerkers nóg niet of ze de juiste dingen hebben gedaan op de best mogelijke manier.’<br /> <strong>EF:</strong> ‘Als de Keuringsdienst van Waren een restaurant komt controleren, zou ze in theorie drie dagen bezig kunnen zijn om alles te checken. Dat is natuurlijk niet behapbaar, en daarom worden er prioriteiten gesteld. Dat zou ook moeten gebeuren in het verslagleggingsoerwoud waar wij mee te maken hebben. Maak een shortlist van de belangrijkste punten, bepaal waar de grootste risico’s liggen en laat daarover verslag uitbrengen. Op die manier geef je medewerkers veel meer eigen verantwoordelijkheid.’</p><p><em>Over dit soort knelpunten wordt toch gesproken?</em><br /> <strong>AC:</strong> ‘Zo ervaar ik het niet. Er vinden veel bijeenkomsten plaats, maar al die gesprekken over vernieuwing gaan er vooral over dat de kritiek op ontwikkelingssamenwerking niet terecht is. De houding is erg defensief. Dat vind ik teleurstellend.’</p><p><em>Men constateert wel dat het anders moet.<br /> </em><strong>AC:</strong> ‘Maar niemand pakt het leiderschap op. Niemand zegt: en nu gaan we het anders doen.’</p><p><em>Wie zou dat leiderschap dan moeten oppakken?</em><br /> <strong>AC:</strong> ‘Medewerkers van organisaties. Zij hebben ontzettend veel kennis in huis. Zij kunnen een veel belangrijkere rol spelen dan ze nu doen. Je hoeft geen directeur te zijn om leider te zijn binnen je organisatie.’</p><p><em>Maar een medewerker is ook maar een medewerker. Hij kan niet zomaar zijn organisatie overhoop halen, laat staan de hele ontwikkelingssector.<br /> </em><strong>AC:</strong> ‘Verkijk je daar niet op. Geef medewerkers vrijheid en ze kunnen wel degelijk een belangrijke rol spelen. Het zou bijvoorbeeld een heel goede verbetering zijn als ontwikkelingsorganisaties hun data beschikbaar zouden stellen. ‘Raw data now’ is de slogan van Tim Berners-Lee, de oprichter van het world wide web. Hij stelt dat Web 3.0 een wereld zal zijn waarin iedereen zijn data beschikbaar stelt en waarin systemen onderling met elkaar communiceren. Als je zoiets op de juiste manier inzet, zou dat goed zijn voor ontwikkelingslanden: je weet dan met één druk op de knop welke organisatie met welke projecten bezig is en wat er drie straten verderop gebeurt.’</p><p><em>Het CIDIN heeft een ngo-database ontwikkeld. Hierin kun je per land bekijken welke ngo’s er actief zijn.<br /> </em><strong>AC:</strong> ‘Zo’n database is wel erg traditioneel opgezet. Het grote verschil is dat de onderzoekers van het CIDIN, hoe goed ze ook zijn, een selectie maken van data en die presenteren. Je krijgt dus per definitie een beperkt wereldbeeld te zien. Bij het beschikbaar stellen van data gaat het erom dat iedereen mee kan doen, dat het een open systeem is. Een goed voorbeeld is Ushahidi. Deze website is opgezet door een mensenrechtenactiviste in Kenia ten tijde van de onlusten na de verkiezingen in 2008. Iedereen kon met zijn mobiele telefoon melden waar er op dat moment gevochten werd en wie daarbij overleed.<br /> Zo’n systeem kon ook worden ingezet in Haïti. Vlak na de aardbeving werden er veel verkrachtingen gemeld. Je kunt met dit systeem in potentie meteen zien of die bijvoorbeeld in de buurt van militaire barakken plaatsvinden. Die rauwe real life-weergave van de wereld is typisch voor de 2.0-benadering. Ze verdringt de bewerkte beelden die wij gewend zijn.’</p><p><em>Hoe moeten medewerkers hierin een voortrekkersrol spelen?</em><br /> <strong>AC:</strong> ‘Binnen de organisatie zijn medewerkers experts op hun terrein. Zij weten vaak prima wat er nodig is, maar hebben te maken met beperkte budgetten en tijd. Wat zou er mooier zijn dan gebruik te kunnen maken van alle expertise en middelen buiten de organisatie, bij concullega’s, lokale mensen, vrijwilligers? Een belangrijk onderdeel is ook het beschikbaar stellen van de eigen informatie en expertise.<br /> Het moet wel een zelforganiserend proces zijn. Je moet als organisatie niet beslissen: komende week gaan we onze kennis over onderwijs beschikbaar stellen. Je moet dit soort processen durven los te laten. Laat het over aan de betrokkenen.’</p><p><em><a rel="attachment wp-att-2815" href="http://www.viceversaonline.nl/2010/08/macht-aan-de-medewerkers/cv-eelco/"></a>Ik kan me voorstellen dat organisaties er niet op zitten te wachten dat medewerkers zomaar data en kennis beschikbaar stellen.</em><br /> <strong>EF:</strong> ‘Je kunt erover vergaderen of je dit wilt of niet, maar ondertussen ontstaan dit soort systemen twee deuren verderop vanzelf. Je moet het loslaten, het gebeurt gewoon.’<br /> <strong>AC:</strong> ‘Ik denk dat er ontzettend veel is wat medewerkers beschikbaar mogen stellen zonder dat ze op het matje geroepen worden. Het punt is meer dat nog onvoldoende mensen inzien dat dit ergens toe dient.’</p><p><em>Maar het is toch logisch als organisaties koudwatervrees hebben?</em><br /> <strong>EF:</strong> ‘Natuurlijk. Kennis is erg belangrijk in de ontwikkelingssector, dus die wil je niet zomaar delen. Bovendien worden je zwakke kanten zichtbaar en dat is natuurlijk niet altijd wenselijk.’<br /> <strong>AC:</strong> ‘Terwijl dat juist de essentie van het systeem is.’<br /> <strong>EF:</strong> ‘Ja, maar je wilt vertrouwelijke of gevoelige informatie natuurlijk niet blootleggen. Bovendien kun je te maken hebben met minischandaaltjes. Als een organisatie tien dingen goed doet en één ding verkeerd, krijgt ze het meteen voor haar kiezen. Ik ben vóór het beschikbaar stellen van data, maar ik denk dat je niet zomaar álle informatie open moet gooien.’<br /> <strong>AC:</strong> ‘Misschien niet, nee. Maar ik heb het vooral over data als: hoe bouw je een goed irrigatiesysteem, hoe ondersteun je een school, wat werkt er als je een kliniek bouwt? Veel mensen houden zich met hetzelfde bezig en zouden dus gebaat kunnen zijn bij elkaars kennis. Informatie delen gaat veel verder dan je declaraties inzichtelijk maken.’</p><p><em>Er wordt toch best veel informatie beschikbaar gesteld?</em><br /> <strong>AC:</strong> ‘Ja, maar vaak wordt die informatie zo aangeboden dat je er niets mee kunt: er is bijvoorbeeld een analyse van de gegevens gemaakt. Leuk, maar daardoor gaat veel informatie verloren die voor jou interessant had kunnen zijn. Of het staat in een dik rapport. Dat is enorm ouderwets. Jongeren gaan dat soort informatie niet nalezen, die verwachten dat ze die op internet kunnen vinden.’</p><p><em>Al die organisaties die zo hun best doen om 2.0 te worden, lopen dus eigenlijk achter de feiten aan?</em><br /> <strong>AC:</strong> ‘De ontwikkelingen gaan snel. Twee jaar geleden twitterde nog niemand, nu bijna iedereen. Ik kan me voorstellen dat het voor gevestigde organisaties lastig is om dit soort ontwikkelingen bij te benen. Wij kunnen het ook nauwelijks bijhouden.’</p><p><em>Draagt Web 2.0 wel iets bij voor ontwikkelingsorganisaties? Leuk dat iedereen mag meepraten via Twitter of Hyves, maar zet dat zoden aan de dijk?</em><br /> <strong>EF:</strong> ‘Het is eigenlijk grassroots voor gevorderden. Je moet niet onderschatten wat het kan betekenen als veel mensen achter een initiatief staan, een mening delen of een discussie voeren.’<br /> <strong>AC:</strong> ‘En vergeet niet dat het meer is dan alleen mensen mee laten praten. Een systeem als Wikipedia lijkt heel spontaan, maar vergeet niet dat er altijd veel personen bij betrokken zijn die een strakke regie voeren. Zij kunnen zelfs de knop uitzetten als ze dat nodig vinden. Helemaal anarchistisch is het dus niet. Binnen een goed werkend systeem wordt de standaard hooggehouden.’</p><p><em>Vaak zijn het jonge one issue-clubs die Web 2.0 slim toepassen en nadenken over steeds verdergaande toepassingen. Zijn dit soort organisaties niet te simpel in hun aanpak?<br /> </em><strong>EF:</strong> ‘Veel van wat wij vanzelfsprekend vinden – vrouwenstemrecht, een betaalbare tramrit, persvrijheid – is ooit bevochten door een one issue-club. Je moet dit soort organisaties zien als stappen richting een betere samenleving.’<br /> <strong>AC:</strong> ‘Je kunt het ook omgekeerd bekijken. Grote organisaties willen soms alles tegelijk doen. Is dat goed?’</p><p><em>Armoede is nu eenmaal geen eenvoudig vraagstuk.</em><br /> <strong>AC:</strong> ‘De discussie gaat steeds over wat er belangrijker is, onderwijs of landbouw of wat dan ook. Maar dat is de verkeerde discussie. Alles is belangrijk. Want als je hoogopgeleid bent, maar ziek wordt, ga je dood aan een stomme infectie die je voor één euro had kunnen oplossen. Veel one issue-clubs die slim gebruik maken van de nieuwe mogelijkheden, kunnen samen een zinvolle bijdrage leveren.<br /> Clay Sharky [auteur van Here Comes Everybody: The Power of Organizing Without Organizations, MA] stelt dat er heel nieuwe organisatievormen ontstaan: in de toekomst word je niet meer beperkt door geld en tijd, omdat het aantal medewerkers dankzij Web 2.0 en 3.0 in theorie oneindig is. De uitdaging is om daaraan mee te doen en je kansen te verbreden. Ik denk dat er ook binnen gevestigde ontwikkelingsorganisaties heel veel mensen werken die dit heel interessant vinden. Iedereen wil dat zijn eigen inspanning tot een beter resultaat leidt.’</p><p><em>Op dit moment zijn veel burgers bereid om fair voedsel te kopen of om zich in te zetten voor kleinschalige initiatieven. Is die mondiale betrokkenheid volgens jullie een voorbijgaande hype?</em><br /> <strong>EF:</strong> ‘Nee, we zijn net begonnen. Het potentieel is nog veel groter. Op dit moment ontstaan juist de tools om dat potentieel te verzilveren.’</p><p><em>Wat kan Web 2.0 of 3.0 hierin betekenen?</em><br /> <strong>EF:</strong> ‘Het wordt steeds eenvoudiger om informatie over een onderwerp te krijgen. Als jij kinderarbeid bijvoorbeeld een issue vindt, kun je dat heel snel relateren aan alles om je heen. Bijvoorbeeld in de winkel: is dit product door kinderen vervaardigd?’<br /> <strong>AC:</strong> ‘Allemaal met je smartphone natuurlijk.’<br /> <strong>EF:</strong> ‘Beschikbare informatie over kinderarbeid moet voor de consument natuurlijk niet te complex zijn. Liefst samengevat in drie aandachtspunten. Dit soort toepassingen zullen de komende jaren verder worden ontwikkeld. Ik geloof bijvoorbeeld ook dat er in een 2.0- of 3.0-wereld een meritocratische schaduwwaarde ontwikkeld zal worden.’</p><p><em>Een wát?<br /> </em><strong>EF:</strong> ‘Ik stel mijzelf al heel lang de vraag hoe je de echte waarde van dingen inzichtelijk kunt maken. Geld is eigenlijk een dom, archaïsch telraam. Veel consumenten hebben allang andere waarden, zoals klimaat en kinderarbeid, op basis waarvan we beslissen of we een product willen kopen. Deze waarden kunnen ook commercieel ingezet worden. Een product waarvoor kinderen zijn uitgebuit, zou in dat geval bijvoorbeeld achttien keer zo duur moeten worden. Dat wil je natuurlijk niet kopen. We moeten het telraam relatief slimmer maken.’<br /> <strong>AC:</strong> ‘Ik zie dit soort ontwikkelingen als een revolutie. Daarom denk ik ook dat het niet zonder slag of stoot zal gaan. Elke revolutie doet pijn. Ik voorzie nog veel onrust.’</p><p><em>Wat voor onrust?</em><br /> <strong>AC:</strong> ‘Een steeds groter wordende groep mensen ziet in dat dit soort ontwikkelingen nodig is. Maar politici zijn hier helemaal niet mee bezig. Ze kijken vooral naar kortetermijnoplossingen. Zelfs als het gaat over de kredietcrisis: niemand durft het systeem aan te pakken. Waar wij het hier over hebben, is een nieuwe manier van denken en werken. Dat soort veranderingen vraagt veel van mensen. Voor echte verandering moet je je ego opzijzetten. Dat is moeilijk, maar noodzakelijk.’<br /> <strong>EF:</strong> ‘Ik denk wel dat deze ontwikkelingen – hoeveel moeite ze ook kosten – niets veranderen aan de mondiale betrokkenheid. Die zal er toch wel zijn.’</p><p><em>Zowel de 1%CLUB als Fairfood zitten sinds kort in de IMPACT-alliantie, een samenwerkingsverband in het kader van het nieuwe Medefinancieringsstelsel. Ook Oxfam Novib zit daarin. Zijn jullie niet bang dat er water bij de wijn moet vanwege die samenwerking?</em><br /> <strong>AC:</strong> ‘Die vraag hebben wij onszelf natuurlijk ook gesteld. Maar wij denken altijd in mensen, niet in organisaties. Als er bij een organisatie voldoende mensen werken die begrijpen waar wij mee bezig zijn, kan zo’n samenwerking prima. Bovendien is het netwerk belangrijk: Oxfam Novib heeft in heel veel landen een groot netwerk, wij kunnen daarvan gebruik maken. Op onze beurt gaan we de bestaande netwerken versterken en effectiever maken.’<br /> <strong>EF:</strong> ‘Het is heel gezond om een grote organisatie te koppelen aan een flexibel pioniersclubje. Je kunt niet zonder elkaar, je kunt zelfs van elkaar profiteren. Bij kleine, flexibele organisaties ontstaan spontaan veel leuke ideeën. Binnen een partnership kan een geïnstitutionaliseerde organisatie daarvan makkelijk profiteren. Binnenshuis zouden dat soort out-of-the-box initiatieven toch vaak kapot gediscussieerd worden.’</p><p><em>Maar beperken dit soort partnerschappen je niet in je vrijheid?</em><br /> <strong>EF:</strong> ‘Ja, er schuilt ook een gevaar in. Hoe meer samenwerkingsverbanden, hoe lastiger een kritisch geluid of een eigenzinnige strategische beslissing. Het is belangrijk dat iedereen zijn eigen smaakje blijft houden. Een voorbeeld: Fairfood werkte net als Fair Trade, Max Havelaar en Albert Heijn samen met ICCO. Op een gegeven moment vergeleken wij Fair Trade- met AH-producten. Daar was Fair Trade niet blij mee. En AH ook niet. Ze gingen allebei klagen bij ICCO. Ik heb toen uitgelegd dat we weliswaar samenwerken, maar dat dat in mijn ogen niet wil zeggen dat je het op alle punten met elkaar eens bent. Je draagt geen verantwoordelijkheid voor het beleid van de ander. Ik hoop dat Frank [van der Linde, de huidige directeur van Fairfood, MA] en ook Anna ervoor knokken dat ze binnen de samenwerking met Oxfam Novib hun eigen ding kunnen blijven doen.’</p><p><em>Voor vernieuwing is het ook belangrijk dat er nieuw bloed in de ontwikkelingssector komt. Maar voor net afgestudeerden is het vaak lastig een baan te vinden bij een ontwikkelingsorganisatie. Hoe zit dat bij jullie organisatie?</em><br /> <strong>EF:</strong> ‘Wij hebben geen geld om veel mensen aan te nemen, maar er werken bij ons wel veel onbetaalde krachten. Wat daar zo leuk aan is? Er ontstaat geen gat op je cv en het is een enorme leerervaring. Je werkt mee als volwaardig medewerker, er is een functieomschrijving voor wat je doet, er worden gesprekken gevoerd over je persoonlijke ontwikkelingsplannen. Die verantwoordelijkheden maken het interessant.’<br /> <strong>AC:</strong> ‘Bij ons zijn ook onbetaalde banen beschikbaar. In tegenstelling tot als je als vrijwilliger voor een grote organisatie werkt, krijg je ook bij ons meteen veel verantwoordelijkheid. Wij hanteren de Obama-aanpak: wij bedenken niet voor jou wat je moet doen, maar je krijgt de vrijheid om je van je beste kant te laten zien. Dankzij die ervaring krijgen onze vrijwilligers uiteindelijk vrij gemakkelijk een baan.’<br /> <strong>EF:</strong> ‘Als iemand zich als vrijwilliger bewezen heeft, is dat voor je eigen organisatie een pre. Stel, hij solliciteert op een betaalde functie, dan weet je wat je met hem in huis zou halen.’<br /> <strong>AC:</strong> ‘Grotere organisaties zouden meer onbetaalde werkplekken en stages moeten creëren. Die zijn er nu te weinig. Dat is frustrerend voor pas afgestudeerden.’<br /> <strong>EF:</strong> ‘Of ze moeten zélf iets starten.’<br /> <strong>AC:</strong> ‘Haha, ja, dat kan altijd.’</p><p>Klik hier voor meer informatie over de <a href="http://www.1procentclub.nl/">1%CLUB</a>, <a href="http://www.fairfood.nl/" target="_blank">Fairfood</a> en <a href="http://www.goedewaar.nl/" target="_blank">Goede Waar &amp; Co</a>.</p> ]]></content:encoded> <wfw:commentRss>http://www.viceversaonline.nl/2010/08/macht-aan-de-medewerkers/feed/</wfw:commentRss> <slash:comments>0</slash:comments> </item> <item><title>‘Starters, grijp het podium!’</title><link>http://www.viceversaonline.nl/2010/08/%e2%80%98starters-grijp-het-podium%e2%80%99/</link> <comments>http://www.viceversaonline.nl/2010/08/%e2%80%98starters-grijp-het-podium%e2%80%99/#comments</comments> <pubDate>Mon, 16 Aug 2010 06:00:54 +0000</pubDate> <dc:creator>Janneke Juffermans</dc:creator> <category><![CDATA[In Vice Versa 4]]></category> <category><![CDATA[Vice Versa]]></category><guid isPermaLink="false">http://www.viceversaonline.nl/?p=2780</guid> <description><![CDATA[Je wil graag zinvol werk doen. En met genoeg doorzettingsvermogen en geluk bemachtig je een startersbaan in de ontwikkelingssector. Maar kun je vervolgens je ei kwijt? En is er wel een carrière voor je weggelegd? Vice Versa nodigde zes jonge, veelzijdige professionals uit om te discussiëren over de nieuwe generatie ontwikkelingswerkers. ‘Wij moeten onszélf serieuzer nemen.’ <a href="http://www.viceversaonline.nl/2010/08/%e2%80%98starters-grijp-het-podium%e2%80%99/">Verder lezen <span class="meta-nav">&#8594;</span></a>]]></description> <content:encoded><![CDATA[<p><strong>Je wil graag zinvol werk doen. En met genoeg doorzettingsvermogen en geluk bemachtig je een startersbaan in de ontwikkelingssector. Maar kun je vervolgens je ei kwijt? En is er wel een carrière voor je weggelegd? Vice Versa nodigde zes jonge, veelzijdige professionals uit om te discussiëren over de nieuwe generatie ontwikkelingswerkers. ‘Wij moeten onszélf serieuzer nemen.’</strong></p><p><em>Beeld: Leonard Fäustle</em></p><p>Tijdens de fotosessie – nog een hele uitdaging voor de fotograaf, want er staat veel wind – wordt er al flink gelachen en gekletst. Vervolgens lopen we naar de 1%CLUB, waar het gesprek zal plaatsvinden. Aan tafel schuiven Bart Veenstra (29, advisor/trainer bij het Koninklijk Instituut voor de Tropen), Fieke Jansen (30, junior programme officer bij Hivos), Lukas van Trier (26, programmamedewerker bij Care Nederland Peace Building), Sander Laban (28, beleidsmedewerker bij Partos), Sara Kinsbergen (28, promovendus aan de Radboud Universiteit Nijmegen) en Verie Aarts (26, kennismedewerker bij Oxfam Novib). De wijn en lekkere hapjes staan al klaar en daar wordt dankbaar op aangevallen. Veel mensen komen rechtstreeks van hun werk en hebben nog niet gegeten. Men heeft weinig aansporing nodig en de conversatie komt bijna als vanzelf op de onderwerpen die op de agenda staan. Er wordt veel gelachen.</p><p><strong>De nieuwe generatie ontwikkelingswerkers, bestaat die eigenlijk wel? En zo ja, wat onderscheidt ze van voorgaande generaties?</strong></p><p><strong>Bart</strong> steekt enthousiast van wal, zoals hij deze avond vaker zal doen: ‘Wij zijn geboren in de jaren zeventig en tachtig. Wij kijken logischerwijs anders tegen ontwikkelingssamenwerking aan dan eerdere generaties. Of dat beter of slechter is? Binnen ons tijdsbeeld past onze bijdrage. Omdat wij binnen onze generatie en met de huidige technologie opgegroeid zijn, zijn we misschien ook wel degenen die het beste antwoord hebben op de problemen van vandaag.’</p><p><strong>Fieke</strong> vult aan: ‘Ook in veel ontwikkelingslanden bestaat een verschil tussen de oude en de jongere generatie. In Afrika gebruikt een groep jonge feministen Facebook om campagne te voeren, de oude generatie vindt dat ze de straat op moet om haar rechten te claimen. Wij hebben als jongeren makkelijker toegang tot de jongere generatie in ontwikkelingslanden. We zoeken op een andere manier contact en werken anders samen.’</p><p><strong>Bart </strong>is het hiermee eens en voegt toe: ‘De doelgroep waarop de meeste ontwikkelingsorganisaties zich richten is bovendien jonger dan 35: kinderen, mensen die in opleiding zijn, startende ondernemers. Wij hebben dezelfde leeftijd als deze doelgroep, dat maakt de communicatie makkelijker.’</p><p>Hierop reageert <strong>Lukas</strong>, die soms wat verlegen lijkt, maar met genuanceerde antwoorden komt: ‘Toch denk ik niet dat we daarom een beter antwoord hebben. Ik geloof in de connectie tussen de oude en de jongere generatie. Het onderscheidende van onze generatie krijgt pas waarde in combinatie met de ervaring van de oudere generatie.’</p><p><strong>Fieke</strong> relativeert nog meer: ‘Innovatie is niet gelijk aan jong zijn. Ik ken veel jongeren die niet innovatief zijn en ouderen die dat wél zijn.’</p><p><strong>Sander</strong> gaat weer in op de huidige generatie: ‘Wij onderscheiden ons door een praktischer idealisme.’ (De anderen knikken instemmend.) ‘De oudere generatie is meer vanuit een ideologie bezig met ontwikkelingssamenwerking. Wij geloven wel in het ideaal, maar de weg er naartoe is nog open. Daarom reageren we ook minder snel aangevallen als er kritiek op de sector komt.’</p><p><strong>Sara</strong>: ‘Dat herken ik wel. Ik noem mezelf ook wel eens een realistische idealist. Ik hoef niet zo nodig de straat op met een spandoek. Ik zie bij veel jonge mensen een behoefte om over de sector heen te kijken en samen te werken met mensen uit andere sectoren, zoals de ICT, het bedrijfsleven.’</p><p><strong>Hoe vertaalt het karakter van de nieuwe generatie zich naar de dagelijkse praktijk?</strong></p><p><strong>Verie</strong>: ‘Veel van mijn collega’s zeggen dat jongere medewerkers veel kritischer zijn. Wat me ook opvalt is dat we andere dingen belangrijk vinden: kennis delen en samenwerken met onverwachte partijen.’</p><p><strong>Fieke</strong>: ‘Wij willen sneller schakelen en dingen doordrukken. Dan worden we meestal wel een beetje tegengehouden.’</p><p><strong>Sara</strong>, kritisch: ‘Als dat tegenhouden gebaseerd is op ervaring vind ik het goed. Als het door cynisme komt, is het jammer.’</p><p><strong>Bart</strong>: ‘Ikzelf heb constant het gevoel dat ik te weinig tijd heb, ik zie dingen liever vandaag veranderen dan morgen. Vandaag zei ik dat ook tijdens een vergadering: “Ik heb te weinig tijd.” Ineens viel het kwartje en dacht ik: oh ja, ik mag er natuurlijk ook langer over doen.’ (gelach)</p><p><strong>Sander</strong>: ‘Dat sluit wel aan bij onze generatie. We zijn wat verwend, we hebben ook alles makkelijk gekregen. We zijn er daarom aan gewend dat alles snel kán gaan. In de ontwikkelingssector hangt een behoorlijke vergadercultuur. Soms slaat die door in inhoudelijke verhandelingen, terwijl ík dan graag een actiepunt wil vaststellen.’</p><p><strong>Hoe kom je binnen in de sector? </strong></p><p><strong>Lukas</strong>: ‘Ik heb zelf mazzel gehad, maar zie om me heen dat het wel moeilijk is voor mensen om binnen te komen. Kijk naar hoeveel ervaring er wordt gevraagd. Ervaring die je eigenlijk alleen kan opdoen met vrijwilligerswerk.’</p><p>Ook de meeste andere tafelgenoten zien het eindeloos tegen een muur aanlopen soms wel bij anderen, maar herkennen het minder bij zichzelf. Men is het wel eens over de discrepantie tussen de functie-eisen, datgene waar een starter redelijkerwijs aan kan voldoen, én dat wat werkelijk nodig is om een functie goed te kunnen uitvoeren. Deze drie variabelen lijken niet goed op elkaar te worden afgestemd.</p><p><strong>Sara</strong>: ‘Ik heb het idee dat er een groot gat zit tussen aan de ene kant de hervormingen die doorgevoerd worden in de sector, de kantelingen en de decentralisatietrend en aan de andere kant de functie-eisen. Er ontstaan minder mogelijkheden om in een ontwikkelingsland in de klei te werken, maar in vacatureteksten wordt daar nog steeds om gevraagd. Daar zal in de toekomst een probleem ontstaan. Ik was laatst bij een debat met consultants. Iemand ging staan en zei: ‘Die jongeren van tegenwoordig… Wij hebben dertig jaar veldervaring! Waar moet het heen met de sector als wij straks met pensioen zijn?’ Ik vind het niet meer van deze tijd om vijftien jaar in het veld te werken om vervolgens eindelijk aan de kwalificaties te kunnen voldoen om hier een functie in te nemen.’</p><p><strong>Verie</strong> vult aan: ‘Het is ook een rare eis, want men gaat er tegelijkertijd vanuit dat al die zuidelijke partners het zelf heel goed kunnen, maar blijkbaar moeten wij er dan toch heen om het voor ze te doen.’</p><p><strong>Sara</strong>: ‘En wat krijg je dan? Mensen die geforceerd bloemen gaan schilderen op weeshuizen om dan toch maar te kunnen zeggen dat ze die ervaring hebben opgedaan.’ (Veel gelach van de anderen.) ‘Daar heb ik heel veel moeite mee.’</p><p><strong>Lukas</strong> belicht een andere kant: ‘Er zijn ook steeds meer organisaties die het gat zien en die bemiddelingsbedrijfjes oprichten om mensen de kans te geven die bloemen te schilderen. De vrijwilligers doen allemaal dingen die misschien goed zijn, maar waar geen controle op is en die mogelijk niet effectief zijn. Dan heeft de sector er véél meer aan om mensen met minder ervaring aan te nemen en onder begeleiding expertise te laten opdoen.’</p><p><strong>Bart</strong> nuanceert de eis van veldervaring: ‘Ik denk wel dat buitenlandervaring belangrijk is, maar die hoeft geen acht jaar lang te hebben geduurd. De wereld is kleiner geworden. Mensen reizen veel meer en de helft van de bevolking in grote steden is afkomstig uit een ander land. Dat is ook al relevante ervaring. Ik woonde een jaar in Syrië. Ook daar was de samenleving heel divers: behalve Syriërs woonden er Soedanezen, Jordaniërs, Egyptenaren. Bestaat het “exclusieve buitenland” nog wel? De contacten met de partners verlopen ook anders, vaker via internet bijvoorbeeld. Om een indruk te krijgen van het leven van iemand aan de andere kant van de wereld heb je geen jarenlange buitenlandervaring meer nodig. Met een televisie, een verre vakantie en een sociaal gevoel kom je een heel eind!’</p><p><strong>Sara, </strong>samenvattend: ‘Het gaat voornamelijk om wat hier in Nederland nodig is om het werk te doen. Wat is het functieprofiel van de ontwikkelingswerker anno 2010?’</p><p><strong>Fieke </strong>vult aan: ‘Er worden andere competenties verwacht, er ontstaat een heel ander functieprofiel. Je moet subsidieaanvragen schrijven voor externe donoren en kunnen omgaan met de private sector. Zo veel meer dan alleen maar samenwerken met die partners in het Zuiden.’</p><p><strong>Welke invloed kun je uitoefenen, als je eenmaal bij een organisatie binnen bent?</strong></p><p><strong>Fieke</strong>: ‘Als je jong en fris een grote organisatie binnenkomt, loop je soms tegen een muur op met je ideeën. Van de oude generatie kun je leren hoe je ideeën moet pitchen.<em> </em>Soms vergeten we dat je eerst moet netwerken om wat meer draagvlak binnen de organisatie te krijgen.’</p><p><strong>Lukas</strong>: ‘Je kan ook wel naïef zijn met je vernieuwende idee, omdat je niet de ervaring hebt dat vergelijkbare dingen zijn misgegaan.’</p><p><strong>Bart</strong>: ‘En toch. Soms zeggen collega’s: “Ja, maar dat hebben we in 1973 al gedaan.” Dat wil niet zeggen dat we het nu niet opnieuw kunnen proberen, in een nieuwe omgeving en met een hedendaags sausje erover.’</p><p><strong>Sara</strong>: ‘Ik denk soms dat we geneigd zijn ons te conformeren en daarmee de gevestigde structuren in stand houden. Je komt binnen, één brok energie, en iemand zegt tegen je: “Leuk, je idee, maar als je het nu zus of zo brengt, is er meer kans dat je idee aanslaat.” Dan ga je het herstructureren. Kom je dan niet in een keurslijf van de gevestigde orde terecht? Je kunt ook zeggen: ik denk dat mijn plan wél vorm kan krijgen, maar niet in de huidige structuren.’</p><p><strong>Sander</strong>: ‘Soms moet je onderdeel van het systeem worden om het te veranderen. Lobbyen. Je kan hard schoppen tegen structuren, dat is óók een tactiek, maar daarmee krijg je een andere reactie.’</p><p><strong>Bart, </strong>glimlachend: ‘In het begin flap je er alles uit, maar dat kan tegen je werken. Wij dragen bij door het vinden van nieuwe partners, nieuwe luisterende oren. Daarin kunnen we wél heel creatief en vernieuwend zijn. Van de oudere generatie leren we om het op een diplomatieke manier te doen.’</p><p><strong>Verie</strong>, ernstig: ‘Ik zit nog even te denken over dat conformeren en pitchen van ideeën. Ik heb niet het gevoel dat ik hierin iets van de oudere werknemers kan leren. Ik vind de sector best conservatief in dit opzicht.’</p><p><strong>Fieke</strong> verheldert: ‘Het is meer ontastbare kennis die mensen met ervaring ons doorgeven. Geen dingen die je in een boekje kunt leren. Bijvoorbeeld hoe je kunt netwerken, hoe je met partners kunt omgaan, dat soort zaken. Als je binnen een grote organisatie als Oxfam Novib iets wilt doorvoeren, moet je lobbyen om draagvlak te krijgen. Anders kun je het beste voor jezelf beginnen, of het buiten de grote organisaties doen. Dat gebeurt ook steeds vaker, dat mensen zeggen: dan doe ik het toch zélf?’</p><p><strong>Verie</strong>: ‘Ik denk dat er veel jongeren zijn die het gevoel hebben dat ze niet gehoord worden en ook niet op waarde worden geschat. Ik constateer het bij mezelf en ook bij anderen die ik gesproken heb. Maar we weten niet waar het aan ligt.’</p><p><strong>Sander</strong>: ‘Ik denk dat dit bij kleinere clubs anders is. Daar krijg je meer ruimte en kun je sneller meer verantwoordelijkheid dragen.’</p><p><strong>Fieke</strong>: ‘Dat is misschien waar, maar als je dan wil doorgroeien binnen die organisatie is er geen plek.’</p><p><strong>Lukas</strong> zegt dat hij voor dit gesprek met anderen van zijn opleiding, de Advanced Master International Development van het CIDIN, heeft gepraat. ‘Er waren nogal wat mensen die vonden dat ze hun kritische noten niet kwijt konden. Ik denk dat het komt door de huidige veranderingen. Mensen schieten constant in de verdediging. Voor wie al een tijdje in de sector zitten is dat begrijpelijk. Je kunt moeilijk zeggen dat je twintig jaar lang het verkeerde hebt gedaan. Er zijn twee groepen critici, de mensen die niet het beste voor hebben met ontwikkelingssamenwerking en zeggen: “Het heeft niet geholpen, stoppen ermee.” En een groep kritische starters. Zij voelen zich niet verantwoordelijk voor het gevoerde beleid, maar willen wel graag in de sector werken. Zij hebben constructieve kritiek, die bedoeld is om zaken te verbeteren, niet om ze af te schaffen.’</p><p>Op mijn vraag of er inspirerende voorbeelden om hen heen zijn in de organisaties waar ze werken, valt een lange stilte. <strong>Bart </strong>komt uiteindelijk met een voorbeeld van een pastor in Indonesië: ‘Ik was in het oerwoud van Kalimantan en verbleef bij een pastor. Hij was al 43 jaar lang bezig met ontwikkelingswerk, begonnen als missionaris. Hij vertelde me bij een goed glaasje wijn allemaal zaken waarvan ik dacht: ja, maar dat gaan wij nu óók doen! Hij was in zijn loopbaan tot de conclusie gekomen dat lokale initiatieven en kleinschalige hulp zoals microfinanciering vaak het beste werken. Die man is vanuit de praktijk constant heel kritisch gebleven. Hij is uiteindelijk op persoonlijk niveau tot dezelfde conclusies gekomen als in grote publieke debatten over ontwikkelingssamenwerking worden besproken. Ik hoop dat de jongere generatie ontwikkelingswerkers steeds kritisch blijft en blijft zoeken naar verbetering, zoals deze man ook heeft gedaan.’</p><p><strong>Willen jullie in deze sector doorgroeien? Zijn er daarvoor wel genoeg mogelijkheden?</strong></p><p><strong>Fieke</strong>: ‘Ik denk dat onze generatie meer switcht. Dat hoop ik tenminste. Het is belangrijk om breder te kijken dan de ontwikkelingssector. Ik zou net zo graag bij Google werken als bij een ontwikkelingsorganisatie.’<strong></strong></p><p><strong>Verie </strong>twijfelt: ‘Moeilijk om iets over doorgroeimogelijkheden te zeggen binnen deze sector. Ik heb geen referentiekader. Mensen om me heen die hogere functies vervullen doen dat al vijftien of twintig jaar. Er zijn maar een paar ambitieuze jonge mensen die zijn doorgestoten tot de organisaties hier in Nederland, of die de kans hebben gehad om in het buitenland relevante ervaring op te doen.’</p><p><strong>Bart: </strong>‘Voor mij persoonlijk is ontwikkelingssamenwerking an sich niet noodzakelijk mijn carrièrepad. Ik zou best bij een commercieel bedrijf willen werken, dat zich deels met duurzaamheid bezighoudt. Of ervaring opdoen in een andere sector om die later weer voor ontwikkelingssamenwerking te kunnen inzetten. Mijn ervaring is dat in het bedrijfsleven goede, innovatieve krachten eruit worden gepikt, want ze zijn winst voor de organisatie. Een goede manager denkt: hee, die heeft talent, die zetten we een paar stapjes hoger. En dan gaat zo’n carrière heel snel. In het bedrijfsleven kun je op je 27ste in een heel goede baan zitten en veel verdienen. Innovatie brengt winst, en daarom neemt men een financieel risico. In de ontwikkelingssamenwerking wordt er erg op ervaring gefocust.’</p><p><strong>Fieke</strong>, instemmend: ‘Ik heb inderdaad vrienden in het bedrijfsleven die zó doorstromen met hun goede ideeën. De aard van het bedrijfsleven is risico’s nemen en in de ontwikkelingssamenwerking probeert men in het algemeen op safe te spelen.’</p><p><strong>Sander</strong>, terugkomend op de huidige generatie en haar binding aan de sector: ‘Ontwikkelingssamenwerking wordt een onderdeel van internationale samenwerking. Er komt een meer integrale aanpak, waaraan deze generatie gaat bijdragen. Daarom zijn we ook niet zozeer aan deze sector gebonden. Onze gemeenschappelijke deler is dat we zinvol werk willen doen en dat kan goed binnen de ontwikkelingssector, maar ook ergens anders.’</p><p><strong>Verie</strong>: ‘De behoefte aan zingeving bestaat ook buiten de sector. Die leeft in de hele maatschappij.’</p><p><strong>Bart: </strong>‘In de jaren zeventig haalden alleen een klein groepje milieuactivisten het papier op en scheidden het afval. Nu doet iedereen het. Zo zullen veel zaken waar ontwikkelingssamenwerking zich voor inzet, ook meer geïntegreerd worden in de maatschappij. Ik hoop dat de gedachten van waaruit ontwikkelingsorganisaties werken, gemeengoed worden. Op die manier kunnen we onszelf opheffen, niet door segregatie en afschaffing, maar door integratie met de maatschappij.’</p><p><strong>Welke rol kunnen jongeren spelen in de vernieuwing van de sector?</strong></p><p><strong>Sara </strong>geeft meteen een voorzet: ‘Als ik kijk naar wie de huidige discussies over de gevraagde vernieuwing voeren, zijn dat <em>the usual suspects</em>. Als we allemaal zes namen noemen, zitten daar geheid drie dezelfde tussen. Je kunt het hebben over je stem laten horen binnen een organisatie, maar het gaat er ook om je stem te laten horen in de hele sector. Binnen dat podium is misschien weinig ruimte voor jongeren, aan de andere kant is het ook onze eigen verantwoordelijkheid. Ik ben al een paar keer uitgenodigd om aan debatten deel te nemen. Daar ben ik vaak de enige vrouw, en de enige van onder de vijftig. Laatst was ik uitgenodigd om te praten over het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Ik ga er dan heen, hoewel ik me van tevoren niet heel erg zeker voel als ik weet dat ik daar naast Jan Pronk zal zitten en allerlei andere hoogleraren. Maar ik zie het ook als een kans, als een verantwoordelijkheid om op te treden als een soort onverkozen Jong OS-vertegenwoordiger. Ik denk dat we daarin veel meer onze verantwoordelijkheid kunnen nemen. De sector wordt omgekanteld, en wie gaan er praten over hoe de toekomst eruit moet zien? De mensen die de huidige structuur mede gecreëerd hebben! Ik heb het ook tegen de hoge heren daar gezegd. “Ik zit hier niet omdat ik zo slim ben, er zijn genoeg jonge mensen die dit ook zouden kunnen. Maar de toegang tot dit bolwerk is niet heel ruim.” Bij hen is de oproep: Open jullie poorten, en bij ons: Grijp het podium. Stuur bijvoorbeeld een stuk naar <em>Vice Versa </em>over dat WRR-rapport. Wie heeft het rapport gelezen? Volgens mij niet veel jonge mensen. Als we dat niet doen, blijven we er ook buiten staan, maar als we wel onze stem laten horen, komt er uiteindelijk misschien een mentaliteitsverandering die ook doorsijpelt op organisatieniveau. Dan worden jonge mensen wel als medebeslissers beschouwd.’</p><p><strong>Wat belemmert jongeren om dit te doen?</strong></p><p><strong>Verie</strong> geeft een voorbeeld: ‘Op het moment dat je de angst voelt om iets te zeggen, doe je het niet. Met een groepje mensen hadden we bij Oxfam Novib een discussie over een mogelijk beleid voor startende medewerkers in de sector. Hierover wilden we onze mening intern kenbaar maken door middel van een brief. Veel jonge mensen zeiden: “Die durf ik niet te ondertekenen.” Dat vind ik echt kwalijk.’</p><p><strong>Sara</strong> vult aan: ‘Of mensen die hier vanavond niet durven te zijn, om dezelfde reden.’</p><p><strong>Fieke,</strong> oplossingsgericht: ‘Misschien kunnen de borrels die georganiseerd worden door het Jong OS-netwerk, of de young professionals-conferentie van komend najaar, over een algemeen thema gaan. Dan komen ook oudere werknemers.’</p><p><strong>Margreet van der Pijl, </strong>die ons namens de 1%CLUB ontvangt, kan zich even niet meer aan haar zwijgplicht houden: ‘Dan gaan de ouderen het debat leiden over de hoofden van de jongeren heen. Je ziet af en toe een jongere opkijken en denken: ik wil ook wat zeggen, en dan toch weer zijn mond houden. In de wandelgangen hoor je later: “Ik had eigenlijk dit en dat willen zeggen, maar wat weet ik er nou van?” Dan denk ik: fuck man, dat had je moeten zeggen!’</p><p><strong>Lukas</strong>: ‘Niet zo lang nadat het WRR-rapport uitkwam was er in de Rode Hoed een debat met Arend Jan Boekestijn, Peter van Lieshout, Wiet Jansen en Farah Karimi. Daar viel het me ook op dat de mensen die uiteindelijk kritische vragen stelden, alleen oudere mensen waren. Ik zat zelf ook met een vraag voor Boekestijn, op basis van wat hij gezegd had. Maar iedereen die opstond begon met een uiteenzetting over zijn tien jaar lange ervaring. Achteraf vind ik het jammer dat ik mijn vraag niet stelde.’</p><p><strong>Bart</strong>, concluderend: ‘Dus wij vinden dat de ouderen ons serieus moeten nemen, maar wij moeten onszelf ook serieuzer nemen.’</p><p><strong>Sara</strong>: ‘Je moet jezelf herkennen als onderdeel van het OS-geheel. Niet: ‘Ik ben Sara, en ik werk bij bijvoorbeeld Oxfam Novib als project officer’, maar: ‘Ik ben Sara, ik werk in deze sector en ben daar medeverantwoordelijk voor.’ Dus als er een moderniseringsbrief over draagvlak uitkomt, dan heb ik die gelezen. Komt het WRR-rapport uit, dan heb ik op zijn minst de samenvatting gelezen. Je moet de ontwikkelingen volgen. Dan ga je de volgende keer staan en stel je een vlammende vraag. Zo val je op. En dan zit er de volgende keer naast of in plaats van mij een andere jonge vrouw.’</p><p>Hier wordt door iedereen mee ingestemd. De hapjes zijn op en het gesprek is klaar. Sommigen blijven nog even geanimeerd napraten, anderen gaan snel op weg naar de trein.</p><p>In de weken erna blijkt dat de betrokkenen het een leuke en boeiende ontmoeting hebben gevonden en dat sommigen verder zijn gaan denken over mogelijkheden om de positie van jongeren in de sector te verstevigen. Wordt vervolgd…</p> ]]></content:encoded> <wfw:commentRss>http://www.viceversaonline.nl/2010/08/%e2%80%98starters-grijp-het-podium%e2%80%99/feed/</wfw:commentRss> <slash:comments>0</slash:comments> </item> <item><title>Geen huizen uitdelen, maar hypotheken</title><link>http://www.viceversaonline.nl/2010/07/geen-huizen-uitdelen-maar-hypotheken/</link> <comments>http://www.viceversaonline.nl/2010/07/geen-huizen-uitdelen-maar-hypotheken/#comments</comments> <pubDate>Fri, 30 Jul 2010 06:00:26 +0000</pubDate> <dc:creator>Vice Versa</dc:creator> <category><![CDATA[Vice Versa]]></category> <category><![CDATA[Haiti]]></category> <category><![CDATA[housing microfinance]]></category> <category><![CDATA[microhypotheek]]></category><guid isPermaLink="false">http://www.viceversaonline.nl/?p=2640</guid> <description><![CDATA[Na een natuurramp zoals in Haïti is de verleiding groot om heel veel gratis huizen weg te geven. Niet doen, waarschuwen deskundigen. Haak in plaats daarvan aan bij de manier waarop de armen wereldwijd hun huizen bouwen: stap voor stap, met hulp van kleine leningen.  <a href="http://www.viceversaonline.nl/2010/07/geen-huizen-uitdelen-maar-hypotheken/">Verder lezen <span class="meta-nav">&#8594;</span></a>]]></description> <content:encoded><![CDATA[<p><strong><a rel="attachment wp-att-2652" href="http://www.viceversaonline.nl/2010/07/geen-huizen-uitdelen-maar-hypotheken/microkrediet-vs-hyptheek/"></a><a rel="attachment wp-att-2651" href="http://www.viceversaonline.nl/2010/07/geen-huizen-uitdelen-maar-hypotheken/sdc10620/"></a><a rel="attachment wp-att-2660" href="http://www.viceversaonline.nl/2010/07/geen-huizen-uitdelen-maar-hypotheken/huis-ii-site/"><img class="alignleft size-full wp-image-2660" title="huis II site" src="http://www.viceversaonline.nl/wp-content/uploads/2010/07/huis-II-site.jpg" alt="" width="180" height="135" /></a>Na een natuurramp zoals in Haïti is de verleiding groot om heel veel gratis huizen weg te geven. Niet doen, waarschuwen deskundigen. Haak in plaats daarvan aan bij de manier waarop de armen wereldwijd hun huizen bouwen: stap voor stap, met hulp van kleine leningen. </strong></p><p><em>Tekst: Mirjam Vossen</em></p><p>Krijgen of betalen, dat is de vraag. Dat is de éérste vraag. Op Haïti bijvoorbeeld, waar anderhalf miljoen mensen tijdens de aardbeving in januari hun huis zagen veranderen in een vormeloze hoop zand, hout en stenen. Ruim driekwart van hen woont nu in een van de 650 tentenkampen in en om Port-au-Prince. Ze schuilen onder een dekzeil en worden op de hielen gezeten door de regentijd. De komende jaren staat Haïti voor de immense opgave om de bergen puin op te bouwen tot nieuwe woonwijken.</p><p>Maar hoe pak je zoiets nu aan? Gééf je de Haïtianen nieuwe huizen, of zet je woningen neer om die vervolgens aan de Haïtianen te verkopen? Geven ligt voor de hand. Want van een kale kip pluk je geen veren.</p><p>Geven is bijvoorbeeld wat Cordaid Mensen in Nood doet. Cordaid is een van de eerste organisaties die Haïtianen uit hun tentenkampen verlost. In een dorpje nabij Port-au-Prince kregen 150 gezinnen een <em>transitional shelter</em> ofwel ‘overgangsschuilplaats’: een houten frame met een golfplaten dak en muren van zeil. De woning doet een beetje denken aan een bouwpakket van de Gamma, want de bewoners moeten hun ‘huis’ zelf in elkaar zetten. De komende jaren plaatst Cordaid 8.000 tot 10.000 van dit soort tijdelijke huizen.</p><p>Nu is gratis huisvesting in de dramatische fase kort na de ramp niet meer dan vanzelfsprekend: veilig onderdak is een eerste levensbehoefte. Maar geldt dat ook voor de fasen daarna, wanneer woningen worden neergezet voor de langere termijn? Is weggeven dan nog steeds de beste optie?</p><p><strong>Het grote graaien</strong></p><p>Deze vraag speelde ook na de tsunami in Zuid-Oost Azië. Ook toen stonden hulporganisaties voor de massieve opgave om miljoenen mensen van nieuwe huizen te voorzien. Onder hen was Wim Stroecken, directeur van de Solid House Foundation, die habitatprojecten uitvoert voor lage inkomensgroepen. Hij organiseerde een project om de kustbewoners van Sri Lanka, die alles waren kwijtgeraakt, aan nieuwe, gratis woningen te helpen.</p><p>Stroeckens ervaringen stemmen niet altijd vrolijk. Solid House Foundation probeerde de bewoners zo veel mogelijk bij het project te betrekken, onder meer door hen vrijwillig mee te laten bouwen. Maar het feit dat mensen het huis gratis kregen, deed het project geen goed. Al snel begon, zoals Stroecken het uitdrukt, ‘het grote graaien’: ‘Politici zetten vriendjes op de lijst. Mensen probeerden een zo groot mogelijk huis te bemachtigen, ook al was hun gezin niet zo groot. In de loop van de tijd vonden we manieren om op de constructie te bezuinigen. Mensen klaagden daarover: ze wilden een huis dat op de dure manier was gebouwd. Dat had simpelweg meer status.’</p><p>Het project van Solid House Foundation werd in een artikel in <em>HP De Tijd</em> beter beoordeeld dan andere ‘weggeefdorpen’. Toch trok de organisatie voortijdig de stekker eruit. ‘Wij geven nooit meer huizen weg’, zegt Stroecken. ‘Mensen moeten op basis van hun eigen geld beslissingen nemen.’</p><p>‘Het grote graaien’ na een ramp als de tsunami is een schrijnend voorbeeld. Belangrijker is dat het weggeven van huizen überhaupt geen oplossing is voor de lange termijn. Want niet alleen daklozen na een natuurramp hebben behoefte aan huisvestiging. Meer dan een miljard mensen onder de absolute armoedegrens woont, zoals VN-Habitat het noemt, in ‘<em>life and health threatening homes’</em>. Allen hebben behoefte aan fatsoenlijke woningen, niemand van hen heeft voldoende geld, en voor allen schiet het aanbod van woningen hopeloos tekort. Bovendien groeit het aantal sloppenwijkbewoners in ontwikkelingslanden jaarlijks met 30 miljoen. Het is uitgesloten dat voor zo veel mensen gratis huisvesting zal worden geregeld. Het antwoord op de vraag ‘krijgen of betalen’ ligt dus voor de hand. Betalen! De vraag is alleen: hoe?</p><p><strong>Microhypotheken</strong></p><p>Mensen zijn inventief. Ook in het bouwen van huizen. Hoe arm zij ook zijn, in de praktijk bouwt en betaalt zo’n 80 procent van de armen hun eigen huis zelf. Zij doen dit met spaargeld en leningen in het informele circuit.</p><p>En dát is waar hulporganisaties volgens Stroecken bij moeten aanhaken: de kracht van mensen om zélf hun huis te bouwen. Cruciaal daarin is toegang tot betaalbare leningen, bijvoorbeeld in de vorm van microfinanciering. De behoefte lijkt enorm. Nu al wordt een fors deel van alle microkredieten – sommige onderzoeken spreken van 20 tot 30 procent – ingezet voor het bouwen en verbeteren van de eigen woning. Steeds meer microfinanciers breiden hun productpakket dan ook uit met speciale microhypotheken of <em>housing loans</em>. Ook gespecialiseerde ngo’s en coöperaties behoren tot de aanbieders. Vooralsnog maakt de microhypotheek hooguit een paar procent uit van het totale portfolio van de microfinancieringsindustrie, maar de potentie is immens. Bovendien groeit de kennis rondom microhypotheken, want aanbieders en financiers van huisvesting doen steeds meer ervaringen op.</p><p><a rel="attachment wp-att-2662" href="http://www.viceversaonline.nl/2010/07/geen-huizen-uitdelen-maar-hypotheken/microkrediet-vs-hyptheek-3/"><img class="size-full wp-image-2662 alignleft" title="microkrediet vs hyptheek" src="http://www.viceversaonline.nl/wp-content/uploads/2010/07/microkrediet-vs-hyptheek1.jpg" alt="" width="430" height="507" /></a><a rel="attachment wp-att-2661" href="http://www.viceversaonline.nl/2010/07/geen-huizen-uitdelen-maar-hypotheken/microkrediet-vs-hyptheek-2/"></a></p><p>En dít zijn lessen die inmiddels zijn geleerd. Les één: de definitie van ‘huis’ moet omver. Een valkuil voor hulporganisaties is het ‘aanbiedersparadigma’. In dat paradigma staat het eindproduct voorop: een huis. Bewoners lenen geld voor een compleet huis, vaak volgens vaststaand ontwerp. Zo’n aanbod sluit echter niet aan bij de praktijk in arme landen. Mensen met lage inkomens bouwen zelden een heel huis in een keer. Ze doen dat stap voor stap. Een eenkamerhut wordt in de loop van jaren uitgebouwd tot een woning met een golfplaten dak, gepleisterde muren, een extra kamer en een voorraadhok. Het ‘aanbiedersparadigma’ leidt dan ook tot te hoge leningen, te lange terugbetaaltermijnen en ontevredenheid met het voorgeschreven ontwerp. Succesvolle microfinanciering voor woningen bestaat daarentegen uit een serie opeenvolgende leningen, waarmee de bewoner uitbreidingen of verbeteringen financiert wanneer hij dat wil.</p><p>‘Bij het financieren van huizen moet het beeld waaraan een huis moet voldoen omver’, zegt socioloog en onderzoeker Peer Smets van de Vrije Universiteit in Amsterdam, die wereldwijd onderzoek doet naar <em>housing microfinance</em>. ‘Het beeld van een compleet huis is een middenklassebeeld. Het past niet bij de lokale praktijk in ontwikkelingslanden. Voor de armen is huisvesting geen product, maar een proces.’</p><p><strong>Eerst een hoger inkomen</strong></p><p>Les twee: dat ‘huisvestingsproces’ kan niet los worden gezien van andere processen, zoals het claimen van landrechten, het verbeteren van het gezinsinkomen en het werken aan sociale cohesie in de buurt. Succesvolle huisvestingsprogramma’s staan nooit op zichzelf. Zij maken deel uit van een bredere aanpak om de levensomstandigheden te verbeteren. Bijvoorbeeld in Bolivia, waar Solid House Foundation zich inzet voor huisvesting van de Guarajas-bevolking. Deze gemeenschap leeft van de oogst van cusi-palmen. De bouw van woningen gaat samen met de komst van een fabriek die de cusi-palmvrucht verwerkt tot olie en cosmetica. De gemeenschap kan zijn inkomen verbeteren door aan deze fabriek te leveren. ‘Eerst moet het inkomen omhoog, dan pas is fatsoenlijke huisvesting aan de orde’, zegt Wim Stroecken.</p><p>En dan ben je, erkent Stroecken, al gauw jaren verder. Sterker nog: dat betekent dat Solid House Foundation soms niet direct aan huisvesting toekomt. Dat is bijvoorbeeld het geval in Zuid-Soedan, waar de organisatie sinds enkele jaren actief is. ‘Er staat nog niet één huis’, zegt Stroecken. ‘De omstandigheden zijn er nog niet rijp voor. Eerst moet er worden gewerkt aan basisvoorzieningen als water en sanitatie, aan veiligheid, stabiliteit en economische ontwikkeling. Niet overal kun je meteen met duurzame huisvesting beginnen.’</p><p>Les drie: pas op met subsidies. Duurzame huisvesting is een zaak van lange adem, zeker wanneer je de armste inkomensgroepen wilt bereiken. De verleiding is groot om het proces te versnellen door het gebruik van hulpgeld. Bovendien geldt bij wederopbouwprojecten soms een maximum termijn om het donorgeld te besteden. Die tijdsdruk stimuleert het weggeven. Maar ook in ‘gewone’ omstandigheden neigen donoren ertoe huizen te subsidiëren. Of ze subsidiëren de kredietverstrekkers om de rente laag te houden. Dergelijke subsidies kunnen echter de duurzaamheid van microfinanciers ondermijnen. In India en Zuid-Afrika zag onderzoeker Peer Smets hoe ‘koud’ geld – subsidies – de terugbetaling van huisvestingsleningen frustreerde. Zodra bewoners wisten dat hun huis deels met subsidie werd betaald, nam de motivatie om terug te betalen af. Was hun huis betaald met ‘warm’ geld – bijvoorbeeld eigen geld in een spaar- en kredietgroep – dan was het terugbetalingspercentage veel hoger.</p><p>In een omgeving waar massaal huizen worden weggegeven, heeft de ontwikkeling van microhypotheken zelfs geen schijn van kans. Dat bleek onder meer in Atjeh na de tsunami. De Development Innovations Group bestudeerde er in opdracht van de Bill and Melinda Gates Foundation de rol van <em>housing microfinance</em>. Bewoners die hun huizen gratis kregen, bleken niet bereid om te betalen voor reparaties. Zodra er iets stuk was, klopten ze aan bij de organisatie die het huis had neergezet, en verwachtten ze bovendien dat deze ngo ook uitbreidingen van het huis zou betalen. </p><p>De onderzoekers concludeerden dat een potentieel kansrijke ontwikkeling van dit soort microfinanciering in Atjeh niet van de grond kwam, omdat subsidies de markt voor leningen verstoorden. Een gezonde en zelfstandige microfinancieringssector is echter een voorwaarde om op termijn veel grotere groepen armen te bereiken dan via hulporganisaties mogelijk is.</p><p><strong>Bouwmateriaal met korting</strong></p><p>Van Atjeh terug naar Haïti, dat vandaag voor de enorme opgave staat om huizen te bouwen voor anderhalf miljoen daklozen – het liefst zo duurzaam mogelijk. Voor de betrokken hulporganisaties liggen alle genoemde valkuilen tegelijkertijd op de loer: de aandrang om complete huizen te bouwen, de druk om dat snel te doen en de verleiding om ze gratis weg te geven.</p><p>‘Doe het niet’, waarschuwt Peer Smets. ‘Bega niet de fout complete huizen neer te zetten. Dat is kortetermijnwerk. Zet desnoods een muur neer waar mensen tegenaan kunnen bouwen. Maar laat hen zelf geld lenen voor de verbeteringen. Wanneer je mensen toch financieel wilt steunen, geef dan bijvoorbeeld korting op bouwmaterialen. Dan houden ze het gevoel van eigenaarschap, zonder dat het de microfinancieringsmarkt verstoort.’</p><p>En zo lijkt de gratis <em>transitional shelter</em> van Cordaid bij nadere beschouwing zo gek nog niet. Maar dan moeten we het bouwpakket niet zien als tijdelijke, maar juist als het begin van een definitieve oplossing. Volgens Cordaid kan de constructie tientallen jaren mee en is ze stevig genoeg om uit te bouwen tot een permanent huis. Wanneer bewoners dat willen, laat een woordvoerder weten, dan moeten ze dat zelf betalen, wellicht met behulp van een microhypotheek. Hopelijk kan de bewoner straks terecht bij een microfinancier voor passende leningen. Tenminste, als andere ngo’s de markt daarvoor niet met duizenden weggeefhuizen hebben verpest.</p> ]]></content:encoded> <wfw:commentRss>http://www.viceversaonline.nl/2010/07/geen-huizen-uitdelen-maar-hypotheken/feed/</wfw:commentRss> <slash:comments>0</slash:comments> </item> <item><title>‘Als jij straks minister wordt…’</title><link>http://www.viceversaonline.nl/2010/07/%e2%80%98als-jij-straks-minister-wordt%e2%80%a6%e2%80%99/</link> <comments>http://www.viceversaonline.nl/2010/07/%e2%80%98als-jij-straks-minister-wordt%e2%80%a6%e2%80%99/#comments</comments> <pubDate>Mon, 26 Jul 2010 06:00:30 +0000</pubDate> <dc:creator>Marusja Aangeenbrug</dc:creator> <category><![CDATA[Het Wereldje]]></category> <category><![CDATA[Vice Versa]]></category> <category><![CDATA[Bert Koenders]]></category> <category><![CDATA[Kathleen Ferrier]]></category> <category><![CDATA[Ontwikkelingssamenwerking]]></category><guid isPermaLink="false">http://www.viceversaonline.nl/?p=2628</guid> <description><![CDATA[Over het budget voor ontwikkelingssamenwerking worden ze het niet eens, maar verder klinken PvdA’er Bert Koenders en CDA-Kamerlid Kathleen Ferrier opvallend eensgezind. Nederland moet weer gaan uitblinken op het gebied van hulp.<a href="http://www.viceversaonline.nl/2010/07/%e2%80%98als-jij-straks-minister-wordt%e2%80%a6%e2%80%99/">Verder lezen <span class="meta-nav">&#8594;</span></a>]]></description> <content:encoded><![CDATA[<p><strong><a rel="attachment wp-att-2665" href="http://www.viceversaonline.nl/2010/07/%e2%80%98als-jij-straks-minister-wordt%e2%80%a6%e2%80%99/viceversa-625/"><img class="alignleft size-full wp-image-2665" title="ViceVersa-625" src="http://www.viceversaonline.nl/wp-content/uploads/2010/07/ViceVersa-625.jpg" alt="" width="221" height="331" /></a>Over het budget voor ontwikkelingssamenwerking worden ze het niet eens, maar verder klinken PvdA’er Bert Koenders en CDA-Kamerlid Kathleen Ferrier opvallend eensgezind. Nederland moet weer gaan uitblinken op het gebied van hulp. </strong></p><p><em>Beeld: </em><em>Johannes Abeling</em></p><p>‘Horen zij bij elkaar?’ vraagt een toevallige voorbijganger nieuwsgierig als Bert Koenders en Kathleen Ferrier poseren voor de foto. Ehh, nee. ‘Hij is van de PvdA, zij van het CDA.’ Hij lacht uitbundig. ‘Haha, wat dom van mij. Ik dacht even dat het een stel was.’</p><p>Een ‘stel’ is misschien wat vergezocht, maar Koenders en Ferrier gedragen zich wel alsof ze goed door één deur kunnen. En dat terwijl het verkiezingstijd is. Zij trekt attent zijn stropdas recht tijdens de fotosessie, hij maakt grapjes en spreekt waarderend over haar. Tijdens het interview zijn ze het soms grondig oneens, maar ze blijven correct. De oud-minister voor Ontwikkelingssamenwerking en de CDA-woordvoerder geven elkaar zelfs tips voor een eventueel ministerschap.</p><p><strong>Kathleen Ferrier (KF):</strong> ‘Bert, één ding wil ik je meegeven voor straks, mocht je weer minister worden: neem de Kamer heel serieus in alles wat je doet en zegt.’</p><p><strong>Bert Koenders (BK):</strong> ‘Ik neem de kiezers van de VVD en de PVV heel serieus. Als iemand twintig keer roept dat ontwikkelingsgeld in de zakken van corrupte regimes verdwijnt, krijgt hij van veel kiezers het voordeel van de twijfel. Daar zul je dus scherp tegen moeten laveren.’</p><p><strong>KF:</strong> ‘Dat bedoel ik juist: je móet de Kamerleden overtuigen. Het is niet vanzelfsprekend dat ze je volgen. En geef ook je coalitiepartners in de regering ruimte om vanuit hun eigen politieke kleur met dingen te komen.’</p><p><em>Stel dat Kathleen Ferrier minister wordt, welk advies krijgt zij dan mee?</em></p><p><strong>BK:</strong> ‘Durf te moderniseren. Verandering betekent keuzes maken. Soms zit je aan heilige huisjes. Dat is niet leuk, maar hoort er wel bij. En soms is een breuk nodig om verder te komen. Een ander advies is: vorm een alliantie om die modernisering vorm te geven. Een alliantie van politici, bedrijfsleven, kennisinstellingen en burgers. Natuurlijk zijn er meningsverschillen, maar daar moeten we niet in blijven hangen. En dat gebeurt nu wél. Het debat over ontwikkelingssamenwerking is in korte tijd enorm vernederlandst. We zijn niet meer het gidsland met uitstraling, maar een benepen, provinciaal land.’</p><p><strong>KF:</strong> ‘In het buitenland begrijpt men niet wat er momenteel gaande is in Nederland. Men vraagt zich af waar wij nog voor staan. De val van het kabinet na de discussie over onze troepen in Afghanistan heeft dat geen goed gedaan.’</p><p><em>Is dat niet lastig, zo’n alliantie? Want mensen vallen toch makkelijker voor de retoriek van Arend Jan Boekestijn of Geert Wilders. </em></p><p><strong>BK:</strong> ‘Resultaten, positieve en negatieve, moeten goed en eerlijk gecommuniceerd worden. Maar als je onbekend bent met het onderwerp, ben je natuurlijk gevoelig voor een opmerking dat er zo veel aan de strijkstok blijft hangen.’</p><p><strong>KF:</strong> ‘Het lastige is dat ontwikkelingssamenwerking een complex beleidsterrein is. Je legt niet een-twee-drie uit hoe het werkt.’</p><p><em>Hoe komt het dat het debat over ontwikkelingssamenwerking is gereduceerd tot oneliners?</em></p><p><strong>KF:</strong> ‘Het debat verengt tot een discussie over percentages, terwijl het dringender dan ooit zou moeten gaan over de effectiviteit. Dat het budget zo’n heikel punt is, heeft natuurlijk te maken met de economische crisis. Maar het komt ook doordat Nederland steeds meer naar binnen gericht is.’</p><p><strong>BK:</strong> ‘Ik ben er positief over dát er debat is. Maar er wordt tegenwoordig wel erg versimpeld over ontwikkelingssamenwerking gesproken. Ooit wilden we alles doen voor mensen in arme landen. We zijn nu doorgeschoten naar de andere kant: we redeneren alsof armoede alleen maar de eigen schuld van mensen is.’</p><p><strong>KF:</strong> ‘Ik stoor me enorm aan vastgeroeste beelden, ook in de Kamer: “Wij houden corrupte regimes in stand”, “ontwikkelingssamenwerking zorgt voor hulpafhankelijkheid”. Dat is allang niet meer zo. Wij houden ons niet uit medelijden of uit koloniaal schuldgevoel bezig met zogenaamd zielige mensen.’</p><p><em>Wat moet volgens u de beweegreden zijn?</em></p><p><strong>KF:</strong> ‘Bovenaan staat voor mij als christendemocraat de solidariteit, het besef van eerlijk delen. Maar wat ook heel belangrijk is, en wat opvallend genoeg nog heel weinig mensen tussen de oren hebben, is het welbegrepen eigenbelang. Wij hebben baat bij een sterk Afrika, al is het maar voor onze handel en voor de energie. Fossiele brandstoffen raken uitgeput, in Afrika zijn talloze mogelijkheden voor alternatieve energie. Bovendien, als wij honger en conflicten in ontwikkelingslanden laten bestaan, heeft dat direct effect op de migratie naar het Westen. Ik wil migratie absoluut niet uitsluitend negatief duiden, maar het kan samenlevingen wel onder druk zetten.’</p><p><em>Effectieve ontwikkelingssamenwerking is dus ook in ons belang. Hoe kan de discussie over effectiviteit op een hoger plan worden gebracht? </em></p><p><strong>KF:</strong> ‘We kunnen de diepte in dankzij de rapporten van de WRR [Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, MA] en de Algemene Rekenkamer die onlangs zijn gepubliceerd. Daarin worden onderwerpen aangereikt waar ik als volksvertegenwoordiger iets mee kan. Ik hoop dat het debat daardoor iets meer inhoud krijgt.’</p><p><em>Kees Vendrik zei onlangs tijdens een publiek debat dat het CDA kleur moet bekennen.</em></p><p><strong>KF:</strong> ‘Wat vreemd. Volgens mij doe ik dat.’</p><p><strong>BK:</strong> ‘Jij wel, ja. Maar ik denk dat hij doelt op de rest van de fractie. Een groeiende stroming binnen het CDA kijkt anders aan tegen ontwikkelingssamenwerking en een deel van de fractie is conservatiever dan Kathleen. Ik heb tijdens mijn ministerschap veel waardering gehad voor de wijze waarop Kathleen manoeuvreerde. Ook aan premier Balkenende heb ik steun gehad, dat wil ik graag benadrukken.’</p><p><em><a rel="attachment wp-att-2667" href="http://www.viceversaonline.nl/2010/07/%e2%80%98als-jij-straks-minister-wordt%e2%80%a6%e2%80%99/viceversa-542-site/"><img class="alignleft size-full wp-image-2667" title="ViceVersa-542 site" src="http://www.viceversaonline.nl/wp-content/uploads/2010/07/ViceVersa-542-site.jpg" alt="" width="202" height="135" /></a>Hoe moet het CDA kleur bekennen?</em></p><p><strong>BK:</strong> ‘We moeten niet weer, zoals in het eerste kabinet-Balkenende met VVD en LPF, een kabinet krijgen zonder minister voor Ontwikkelingssamenwerking. Ik hoop dat je daarvoor vecht, Kathleen.’</p><p><strong>KF:</strong> ‘Ik heb daar destijds ook voor gevochten, hoor. Alleen, toen kregen wij het mes op de keel: óf een staatssecretaris met een budget van 0,8 procent van het bnp óf een minister met beduidend minder.’</p><p><strong>BK:</strong> ‘Dat is toch erg? Ik hoop echt dat het CDA niet met de PVV of de VVD in zee gaat, want dan zullen de minister voor Ontwikkelingssamenwerking en het percentage van 0,8 procent verdwijnen. Terwijl er nu juist een goede ontwikkelings- en coherentieagenda uitgevoerd moet worden.’</p><p><em> </em><em>Een aantal punten in het CDA-verkiezingsprogramma komt overeen met adviezen uit het WRR-rapport.</em></p><p><strong>KF:</strong> ‘De punten in het verkiezingsprogramma komen uit onze fractienotitie ‘Van hulp naar investeren’, die ik in augustus vorig jaar al heb gepubliceerd, een half jaar voordat de WRR klaar was. En ja, ik zie veel van mijn inzichten terug in het WRR-rapport. Maar ik ben het lang niet met alles in het WRR-rapport eens.’</p><p><em>Waarmee bent u het niet eens?</em></p><p><strong>KF:</strong> ‘Ik voel bijvoorbeeld niets voor NLAid [een professionele overheidsdienst voor ontwikkelingssamenwerking, MA]. Laat ik vooropstellen dat ik de zorg deel over het gebrek aan kennis en continuïteit en dat professionaliteit belangrijk is. Maar met NLAid depolitiseer je ontwikkelingssamenwerking, terwijl geen terrein zo politiek is als ontwikkelingssamenwerking: het hangt volstrekt af van de politieke wil wat er gebeurt, zowel hier als in ontwikkelingslanden. Daarom moet je niet proberen te depolitiseren.’</p><p><strong>BK:</strong> ‘Het is vanaf dag één mijn grootste zorg geweest dat de deskundigheid bij het ministerie van Buitenlandse Zaken niet verloren gaat. We hebben niet voor niets een kennisagenda opgevijzeld om de kennis en kunde over de complexiteit van ontwikkelingsprocessen te vergroten binnen het ministerie. Maar dat is wel ingewikkeld. We zijn er een stuk verder mee gekomen, maar ik was toch minister zonder portefeuille. Dat betekent dat je te weinig te zeggen hebt over het ambtenarenapparaat. Als je écht wilt hervormen, is dat laatste essentieel. Bij de kabinetsformatie is het enorm belangrijk dat een ministerspost Internationale Samenwerking vorm krijgt.’</p><p><em>Welke adviezen uit het WRR-rapport zijn essentieel voor de toekomst? </em></p><p><strong>KF:</strong> ‘Dat we ons moeten focussen. We moeten kiezen voor een aantal thema’s om efficiënter te kunnen werken. Het CDA kiest bijvoorbeeld voor landbouw. We moeten ook scherper kiezen voor een aantal landen. Ik ben het bovendien eens met het WRR-advies om te doen waar Nederland goed in is, zodat we daadwerkelijk verschil kunnen maken. Denk bijvoorbeeld aan water. Ik waardeer het ook dat de WRR nadruk legt op de zelfredzaamheid van landen. Zodra je een relatie aangaat met een ontwikkelingsland, moet je er heel expliciet bij zeggen dat die relatie eindig is.’</p><p><em>Het CDA kiest ervoor om een deel van het ontwikkelingsbudget flexibel te besteden. Waarom?</em></p><p><strong>KF:</strong> ‘Wij willen ons niet blind staren op een percentage. We blijven bij de internationale afspraken van 0,7 procent van het bruto nationaal product. Maar daarnaast willen wij 0,1 procent, die tot dusver was gereserveerd voor natuur, water en milieu, besteden aan voornamelijk interdepartementaal beleid. Bijvoorbeeld voor samenwerking tussen justitie en ontwikkelingssamenwerking die niet past binnen de ODA-criteria [internationale criteria van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, waaraan de uitgaven normaliter moeten voldoen, MA]. Er kan en moet nog meer worden samengewerkt.’</p><p><strong>BK:</strong> ‘We zíjn al begonnen met coherent, interdepartementaal beleid. Dat is enorm belangrijk, want er dragen veel meer dingen bij aan ontwikkeling dan alleen ontwikkelingssamenwerking. Samen met andere ministeries waren we bezig met een ambitieuze groei- en verdelingsagenda. Ik heb bijvoorbeeld goed samengewerkt met Justitie, Landbouw en Economische Zaken.’</p><p><em>Wat vindt u van een flexibele besteding van 0,1 procent van het bnp?</em></p><p><strong>BK:</strong> ‘Ik ben tegen cijferfetisjisme, laat ik dat vooropstellen. Maar ik heb om twee redenen bezwaar tegen de keuze van het CDA. Ten eerste omdat het CDA open laat of kosten voor het milieu voortaan onder de 0,7 procent moeten vallen. Zo ja, dan is dat een groot gevaar, want het gaat om honderden miljarden.’</p><p><strong>KF:</strong> ‘Het CDA wil de kosten voor klimaatadaptatie en milieu helemaal niet in zijn geheel onderbrengen bij die 0,7 procent. Wij vinden milieu, klimaat, duurzaamheid en water een ontzettend belangrijk toetsingscriterium voor alles waar we die 0,7 procent aan uitgeven. Dat is iets anders dan het enorme bedrag dat wij als internationale gemeenschap beschikbaar moeten stellen om klimaatverandering tegen te gaan. Als het geld voor bijvoorbeeld klimaatadaptatie uit die 0,7 procent zou moeten komen, blijft er geen cent meer over voor armoedebestrijding.’</p><p><strong>BK:</strong> ‘Dus de kosten voor klimaat en milieu moeten bovenop het budget komen?’</p><p><strong>KF:</strong> ‘Wat mij betreft zouden die kosten additioneel moeten zijn, ja.’</p><p><strong>BK: </strong>‘Nou, ik ben blij dit te horen. Tot nu toe ben ik daarin nooit door de CDA-fractie gesteund. En in jullie verkiezingsprogramma wordt het open gelaten.’</p><p><strong>KF:</strong> ‘We zijn er nog niet over uitgediscussieerd, omdat nog niet helemaal duidelijk is welke projecten op het bordje van Nederland komen te liggen. Maar met alleen met het budget voor ontwikkelingssamenwerking redden we het niet, dat is wel duidelijk.’</p><p><em>Wat is het andere bezwaar tegen het CDA-standpunt?</em></p><p><strong>BK:</strong> ‘Die 0,1 procent moet geen grabbelton worden voor diverse ministeries. Ik heb tijdens mijn ministerschap te vaak meegemaakt dat ministers hobbyprojecten wilden starten in een ontwikkelingsland, met ontwikkelingsgeld. Men vroeg zich niet af of ontwikkelingslanden daar op zaten te wachten. Om die reden ben ik voor een minister voor Internationale Samenwerking: die kan ontwikkelingssamenwerking en armoedebestrijding beschermen binnen de agenda’s van andere internationale issues, zoals klimaat, handel en conflicten. Kathleen, als jij minister wordt, zorg dat die 0,1 procent géén grabbelton wordt.’</p><p><strong>KF:</strong> ‘Uiteraard, daarom vinden wij het ook belangrijk dat een minister voor Internationale Samenwerking het laatste woord heeft over de besteding van dat geld.’</p><p><strong>BK:</strong> ‘Maar die besteding moet wel voldoen aan de internationale afspraken dat we uitgaan van de wensen van ontwikkelingslanden. We moeten niet onze eigen behoeften en vragen vooropstellen. Want voor je het weet, vervallen we weer in ouderwetse ontwikkelingssamenwerking: een rommelpotje van hobby’s en belangen.’</p><p><em><a rel="attachment wp-att-2668" href="http://www.viceversaonline.nl/2010/07/%e2%80%98als-jij-straks-minister-wordt%e2%80%a6%e2%80%99/viceversa-603/"><img class="alignleft size-medium wp-image-2668" title="ViceVersa-603" src="http://www.viceversaonline.nl/wp-content/uploads/2010/07/ViceVersa-603-200x300.jpg" alt="" width="200" height="300" /></a>Waarom is dat percentage zo belangrijk?</em></p><p><strong>KF:</strong> ‘Ontwikkelingssamenwerking moet beter en kan anders, maar je moet er wel budget voor hebben. Daarom handhaven wij de 0,7 procent.’</p><p><strong>BK:</strong> ‘0,8 procent, hè. Anders betekent het een enorme bezuiniging.’ </p><p><strong>KF: </strong>‘Bert, fixeer je niet op dat percentage.’</p><p><strong>BK:</strong> ‘Ik fixeer me daar niet op. Ik weet alleen zeker, gezien het huidige politieke klimaat, dat het percentage binnen twee jaar eerst naar 0,7, dan 0,6 en vervolgens 0,5 procent zakt, als we het nu loslaten. Modernisering en financiering horen bij elkaar, als twee zijden van dezelfde munt.’</p><p><strong>KF:</strong> ‘Dat klopt, maar daarom kun je die 0,1 procent toch wel flexibel inzetten? Wij willen de internationale afspraken handhaven, maar een deel van het budget los van de ODA-normen besteden. Dat hoeft heus geen grabbelton te worden.’</p><p><strong>BK:</strong> ‘Maar de ODA-normen geven juist aan: wat is écht ontwikkelingssamenwerking?’</p><p><em>Dit is een steeds terugkerende discussie. Wat is er volgens u mis met de ODA-normen, mevrouw Ferrier?</em></p><p><strong>KF:</strong> ‘Ik stoor me eraan dat je soms geen geld kunt geven aan iets wat goed werkt, omdat het buiten de ODA-criteria valt. Een voorbeeld is de samenwerking tussen ontwikkelingssamenwerking en justitie: mensen die terug moeten naar hun land van herkomst, krijgen begeleiding en geld om zich opnieuw te vestigen. Dat geld wordt ingezet in het land zelf. Alleen, volgens de ODA-criteria vallen mensen die terug moeten, maar dat niet willen, buiten die normen. Juist de mensen die je het liefste dat geld mee zou geven. Dat is toch doodzonde?’</p><p><strong>BK:</strong> ‘Kathleen, wij hebben meer dan enig ander ministerie de samenwerking met Justitie gezocht. Er is meer geld dan ooit naar terugkeerprojecten gegaan en daar hebben we alle ngo’s bij betrokken. Bovendien, zelf heb ik ook problemen met sommige criteria, bijvoorbeeld dat er geld gaat naar de eerste opvang van asielzoekers. Dat gaat om gigantische bedragen die betaald worden uit het budget voor ontwikkelingssamenwerking. De normen zijn voor mij niet heilig, maar wél de principes van afspraken tussen landen. En ik vind het enorm belangrijk dat je geen grabbelton maakt van het budget.’</p><p><strong>KF:</strong> ‘Dat doen we niet.’</p><p><strong>BK:</strong> ‘Dat doet het CDA met die 0,7 procent wel. Want als je iets afhaalt van de huidige 0,8 procent, betekent het een gigantische bezuiniging voor bijvoorbeeld de bestrijding van hiv en aids. Dan tref je mensen die het keihard nodig hebben.</p><p><strong>KF:</strong> ‘Bert, ik kijk daar echt anders tegenaan.’</p><p><em>Er moet toch hoe dan ook bezuinigd worden?</em></p><p><strong>BK:</strong> ‘Daar ben ik het absoluut niet mee eens. De armste landen zijn het slachtoffer van de klimaatverandering die wij veroorzaken én van de financieel-economische crisis die veroorzaakt is door ons casinokapitalisme. Als de VVD en de PVV het voor het zeggen krijgen, moeten de zwakste schouders alles dragen. De PvdA is het spiegelbeeld van Wilders.’</p><p><em>Het nieuwe Medefinancieringsstelsel ofwel MFS moest leiden tot vernieuwing. De kritiek luidt nu dat het géén inhoudelijke vernieuwing oplevert, maar organisaties alleen dwingt tot samenwerking. Had het achteraf gezien anders gemoeten?</em></p><p><strong>BK:</strong> ‘Nee. Dit nieuwe subsidiestelsel is een combinatie van continuïteit en vernieuwing. Het is zelfs de uitkomst van een beleidsdialoog met de ontwikkelingssector die een jaar heeft geduurd. De principes van het MFS zijn gedeeld en overeengekomen met de sector. Bovendien, elke modernisering doet pijn, dus er is altijd kritiek. Op dit moment klaagt de ontwikkelingssector over de verschrikkelijke bureaucratie voor de MFS-aanvraag. Natúúrlijk is het vervelend dat je een paar maanden lang veel moet opschrijven, maar zo werkt het nu eenmaal. We hebben het hier wel over 2,2 miljard belastinggeld voor vijf jaar. Laten we ons liever concentreren op het debat over de succesvolle uitvoering.’</p><p><em><em><a rel="attachment wp-att-2666" href="http://www.viceversaonline.nl/2010/07/%e2%80%98als-jij-straks-minister-wordt%e2%80%a6%e2%80%99/viceversa-579-site/"><img class="alignright" title="ViceVersa-579 site" src="http://www.viceversaonline.nl/wp-content/uploads/2010/07/ViceVersa-579-site.jpg" alt="" width="203" height="135" /></a></em>Wat zijn de vernieuwende elementen in het MFS? </em></p><p><strong>BK:</strong> ‘Er zijn diverse elementen: de hulp moet bijvoorbeeld beter worden afgestemd op de context in het ontwikkelingsland, en het ministerie kijkt scherper naar de kwaliteit. Ook de samenwerking tussen organisaties vormt een belangrijk element. Het stimuleren van samenwerking was hard nodig, want de ontwikkelingssector was enorm versnipperd.’</p><p><strong>KF:</strong> ‘De Kamer heeft de minister destijds gesteund in het tegengaan van versnippering, ik ook. Maar ik vraag me af of die samenwerkingsverbanden wel leiden tot echte samenwerking. Sommige organisaties worstelen zich door de papierberg heen en gaan vervolgens weer door met hun eigen ding. Dan win je uiteindelijk nog niets.’</p><p><strong>BK:</strong> ‘Dát is nu de eigen verantwoordelijkheid van de sector. De overheid kan niet alles vangen in regels. Maar ik hoor vanuit het bedrijfsleven en kennisinstellingen juist veel positieve reacties: er wordt meer dan ooit samenwerking met hen gezocht. Ik vertrouw dus echt op de kracht van het particuliere kanaal, dat ik zeer hoog heb zitten.’</p><p><strong>KF:</strong> ‘Nou, ik hoop maar dat het inderdaad aanslaat. Ik wil hier wel gezegd hebben dat ik het regelmatig principieel oneens was met de minister in debatten over het maatschappelijk middenveld.’</p><p><em>Wat bedoelt u daarmee?</em></p><p><strong>KF:</strong> ‘Ik zag een verstatelijking van het beleid. De minister wilde vorig jaar bijvoorbeeld dat subsidieaanvragen van ontwikkelingsorganisaties voor zestig procent betrekking zouden hebben op landen waar de overheid ook actief is. Maar de kracht van het maatschappelijk middenveld heb je juist nodig op plekken waar de overheid níet aanwezig kan en wil zijn.’</p><p><strong>BK:</strong> ‘Ho zeg, ik ben een groot tegenstander van verstatelijking van beleid. Ik geloof juist in de kracht van het maatschappelijk middenveld. Alleen, en daar zijn wij het blijkbaar over oneens, ik vind dat de overheid en ontwikkelingsorganisaties vaak langs elkaar heen werken. Om samenwerking te bevorderen en elkaar te versterken, moeten ngo’s daarom óók werkzaam zijn in landen waarin de overheid actief is. Want juist daar is een tegenmacht nodig, bijvoorbeeld in de vorm van ouderraden en vakbonden. Maar de overheid gaat natuurlijk niet vertellen hoe organisaties hun werk moeten doen.’</p><p><strong>KF:</strong> ‘Ik vind dat je als overheid niet mag eisen dat ontwikkelingsorganisaties zestig procent van hun budget besteden in landen waar de overheid zit.’</p><p><strong>BK:</strong> ‘Kathleen, we hebben daar destijds uitgebreid over gedebatteerd in de Kamer. Ik heb toen gezegd: we moeten niet aan kapitaalvernietiging doen, dus er komt een langere overgangsperiode. Bovendien geldt de landenlijst niet voor mondiale thema’s. Verder blijf ik bij die keuze, juist omdat ik vind dat de overheid niet alleen moet staan in bepaalde landen. En zo heeft de Kamer er ook mee ingestemd.’</p><p><em>Stel dat u de komende periode minister wordt, wat gaat u anders doen?</em></p><p><strong>KF:</strong> ‘Ik zou sterker focussen als ik minister zou zijn. Want ik heb wel eens gedacht: Bert, je benoemt heel veel, maar wat ga je nu precies doen? Ik zou me vooral focussen op thema’s waar landen onderling van elkaar afhankelijk zijn en waar Nederland het verschil kan maken: landbouw, migratie, energie, water, klimaat, opbouw van de rechtstaat en de internationale strijd tegen aids. Vooral meer aandacht voor de brede internationale agenda, niet alleen voor ontwikkelingssamenwerking.’</p><p><strong>BK:</strong> ‘Dat zijn er juist te veel! Ik heb me gefocust: op vier thema’s. Ik vind het jammer dat er geen vierde jaar volgt waarin ik me meer had kunnen focussen op de uitvoering van het beleid voor die thema’s. Ik heb overigens al veel tijd gestoken in die uitvoering. Ik kreeg wel eens als kritiek: “De minister is te vaak op reis, terwijl hij thuis zijn beleid zou moeten uitvoeren”. Maar als je het beleid goed wilt uitvoeren, móet je juist in de landen zelf aanwezig zijn. Je moet analyseren wat het profiel van een land is, of we ons met de juiste programma’s bezighouden, hoe de machtsverhoudingen in dat land zijn, wat we kunnen verbeteren. Daar gaat veel tijd in zitten, dat onderschatten mensen wel eens. Ik zou ook de modernisering verder willen vormgeven. Daarvoor is het zoals gezegd van belang dat een minister zeggenschap krijgt over een deel van het personeel, anders kun je daarin nauwelijks investeren.’</p><p><strong>KF:</strong> ‘Die modernisering is cruciaal, ja. Maar er moet wel doorgepakt worden. We moeten ontwikkelingssamenwerking nu echt anders aanpakken dan vijftig jaar geleden. Het doet pijn, maar er moeten scherpe keuzes gemaakt worden.’</p><p><strong>BK: </strong>‘Ik geef je nog één tip, Kathleen. Als jij minister wordt, begin dan vanaf dag 1 al met de uitvoering van het beleid. De timing is essentieel. Ik vind het erg jammer dat ik geen resultaten heb kunnen laten zien in een vierde jaar. Het lastige is dat mensen snelle resultaten verwachten, terwijl ontwikkelingssamenwerking een kwestie is van lange adem. Het moeilijke is: als je te snel bent, kunnen mensen je niet bijbenen, als je te langzaam bent, is het momentum voorbij.’</p><p><em>Sinds mei 2002 is Kathleen Ferrier (1957) lid van de Tweede-Kamerfractie van het CDA. Daarvoor was zij secretaris van SKIN, de organisatie van migrantenkerken in Nederland, en was ze werkzaam in Latijns-Amerika. In de Tweede Kamer is Ferrier woordvoerder voor ontwikkelingssamenwerking, speciaal onderwijs, interculturalisatie van de zorg en internationalisering van het onderwijs. </em></p><p><em>Bert Koenders (1958) was tot en met 23 februari minister voor Ontwikkelingssamenwerking. Voordat hij aantrad in februari 2007 was hij bijna tien jaar Tweede-Kamerlid voor de PvdA. Hij was woordvoerder buitenlandse zaken en hield zich verder bezig met internationaal monetair beleid en handelsbeleid. Voor zijn Kamerlidmaatschap was Koenders werkzaam als beleidsmedewerker van de PvdA-fractie, als European director van de Parlementarians for Global Action, als politiek adviseur van de Verenigde Naties in zuidelijk Afrika en als medewerker van de Europese Commissie. Hij was lid van de enquêtecommissie Srebrenica en werkte aan de Johns Hopkins University.</em></p><p><em>Dit interview vond vlak voor de verkiezingen plaats. </em></p><p><em><span style="font-size: xx-small; font-family: OfficinaSans-BookItalic;"> </span></em></p> ]]></content:encoded> <wfw:commentRss>http://www.viceversaonline.nl/2010/07/%e2%80%98als-jij-straks-minister-wordt%e2%80%a6%e2%80%99/feed/</wfw:commentRss> <slash:comments>0</slash:comments> </item> <item><title>‘Ik ben niet zo van de school van Pronk’</title><link>http://www.viceversaonline.nl/2010/07/%e2%80%98ik-ben-niet-zo-van-de-school-van-pronk%e2%80%99/</link> <comments>http://www.viceversaonline.nl/2010/07/%e2%80%98ik-ben-niet-zo-van-de-school-van-pronk%e2%80%99/#comments</comments> <pubDate>Wed, 21 Jul 2010 06:00:06 +0000</pubDate> <dc:creator>Vice Versa</dc:creator> <category><![CDATA[Vice Versa]]></category> <category><![CDATA[Congo]]></category> <category><![CDATA[Dirk Jan Koch]]></category><guid isPermaLink="false">http://www.viceversaonline.nl/?p=2616</guid> <description><![CDATA[Vorig jaar veroorzaakte Dirk-Jan Koch veel reuring met zijn proefschrift over blinde vlekken in de hulp. Nu is hij tweede secretaris op de ambassade in Congo. Een dag op pad met een van de meest veelbesproken talenten van de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking. <a href="http://www.viceversaonline.nl/2010/07/%e2%80%98ik-ben-niet-zo-van-de-school-van-pronk%e2%80%99/">Verder lezen <span class="meta-nav">&#8594;</span></a>]]></description> <content:encoded><![CDATA[<p><strong><a rel="attachment wp-att-2674" href="http://www.viceversaonline.nl/2010/07/%e2%80%98ik-ben-niet-zo-van-de-school-van-pronk%e2%80%99/koch-iii-site/"></a><a rel="attachment wp-att-2675" href="http://www.viceversaonline.nl/2010/07/%e2%80%98ik-ben-niet-zo-van-de-school-van-pronk%e2%80%99/_mg_4653-cmyk/"></a><a rel="attachment wp-att-2678" href="http://www.viceversaonline.nl/2010/07/%e2%80%98ik-ben-niet-zo-van-de-school-van-pronk%e2%80%99/koch-iii-site-3/"><img class="alignleft size-full wp-image-2678" title="Koch III site" src="http://www.viceversaonline.nl/wp-content/uploads/2010/07/Koch-III-site2.jpg" alt="" width="183" height="135" /></a>Vorig jaar veroorzaakte Dirk-Jan Koch veel reuring met zijn proefschrift over blinde vlekken in de hulp. Nu is hij tweede secretaris op de ambassade in Congo. Een dag op pad met een van de meest veelbesproken talenten van de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking.</strong></p><p><em>Tekst: Lonneke van Genugten  </em></p><p><strong>8.30 uur</strong></p><p>De diplomaat heeft de academische wereld nog geen definitief vaarwel gezegd. Elke vrijdagochtend geeft Dirk-Jan Koch college aan studenten economie van de katholieke universiteit in Kinshasa. Parttime professor Koch (‘Ik had naast m’n universitaire papieren ook een aanbeveling van een priester nodig om hier te mogen lesgeven’) kalkt met lange halen het onderwerp van vandaag op het bord: ‘Is regionale samenwerking beter dan Noord-Zuid-samenwerking?’ Vingers gaan omhoog. Koch geeft plankgas en houdt dat een uur lang vol. De studenten schrijven driftig mee. ‘Ze zijn ambitieus en leergierig. Het lesgeven aan de universiteit helpt me te begrijpen voor welke uitdagingen Congo staat’, vertelt Koch na afloop. ‘Maar andersom is het beleidswerk ook een goed vertrekpunt voor academisch onderzoek, zoals uit mijn proefschrift blijkt. De onderzoeksvragen heb ik geformuleerd terwijl ik op het departement werkte voor de afdeling die zich bezighoudt met Medefinancieringsorganisaties. Gelukkig begint men bij Buitenlandse Zaken steeds meer het belang van onderzoek in te zien, maar de organisatie is er nog niet op ingericht om onderzoek te stimuleren. Een deel van de verantwoordelijkheid ligt bij de ambtenaren zelf. Ook zij kunnen meer – vrije – tijd nemen om zich te verdiepen in hun vakgebied. Om Ton Dietz [directeur van het Afrika Studiecentrum, LvG] aan te halen: Buitenlandse Zaken is een mammoettanker. Er is wel wat aan het scharnieren, piepen en kraken binnen het apparaat. Maar van koers veranderen kost tijd. Dat zie je bijvoorbeeld bij de landenkeuzes van het ministerie. Regelmatig wordt er met veel bombarie een nieuwe herziening van de landenlijst gepubliceerd, terwijl er in de realiteit relatief weinig veranderd. Ik ben benieuwd of het voorstel van de WRR [Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, LvG] om drastisch te snoeien in het aantal landen daadwerkelijk wordt overgenomen.’</p><p>Het is nu bijna anderhalf jaar geleden dat Dirk-Jan Koch de kranten haalde met zijn proefschrift over het kuddegedrag van internationale hulporganisaties. Deze blijken zich niet op de armste en moeilijkste landen te richten, maar vooral aan te haken bij bilaterale donoren – en bij elkaar. Zo besteden zestig van de grootste ontwikkelingsorganisaties samen vijf miljoen euro per jaar in Jemen, en 150 miljoen in Uganda. ‘Dat de verschillen zo extreem zijn, had ik zelf ook niet verwacht’, aldus Koch. De discussie over ‘kluitjesvoetbal’, een inmiddels gevleugelde term, waaide zelfs over naar het buitenland. De Britse <em>Financial Times</em> en diverse media in Scandinavië pikten het proefschrift op. Koch: ‘Er is altijd wel interesse in kritisch onderzoek naar de hulp. Ik ben erg blij dat het geen Nederlandse exercitie is gebleven en dat internationaal de discussie is aangezwengeld over keuzes die hulporganisaties maken.’</p><p><a rel="attachment wp-att-2676" href="http://www.viceversaonline.nl/2010/07/%e2%80%98ik-ben-niet-zo-van-de-school-van-pronk%e2%80%99/koch-iii-site-2/"></a>Er was ook kritiek. ‘Al tijdens het schrijven zei Sylvia Borren, de toenmalig directeur van Oxfam Novib, dat ik te veel focuste op traditionele hulp, ter plekke in arme landen zelf, en daarmee over het hoofd zag wat organisaties doen op het gebied van mondiale lobby. Ook richtte ik me volgens haar te veel op economische armoede en niet op ongelijkheid. Deels had ze gelijk, maar als ongelijkheid echt een belangrijk criterium was, dan waren de organisaties wel actiever geweest in het Midden-Oosten, waar de ongelijkheid het grootst is.’</p><p><strong>10.30 uur</strong></p><p>De volgende stop is het ‘Ministère du Genre, de la Famille et de l’Enfant’. In een bescheiden zaaltje met golfplaten dak en tuinstoelen vergaderen bilaterale donoren, organisaties en ministeries over het aanpakken van seksueel geweld tegen vrouwen. ‘Hier steken we de koppen bij elkaar om te kijken of de strategieën van de regering en die van de internationale gemeenschap met elkaar in lijn zijn’, vertelt Koch nadat hij een Franse VN-medewerker begroet.</p><p><a rel="attachment wp-att-2676" href="http://www.viceversaonline.nl/2010/07/%e2%80%98ik-ben-niet-zo-van-de-school-van-pronk%e2%80%99/koch-iii-site-2/"></a><img class="alignright size-full wp-image-2679" title="Koch II site" src="http://www.viceversaonline.nl/wp-content/uploads/2010/07/Koch-II-site.jpg" alt="" width="202" height="135" />De aanwezigen vertellen een voor een over de lopende zaken binnen hun organisaties. ‘We focussen ons op het oosten van het land, maar ook hier in Kinshasa worden meisjes straffeloos misbruikt. Daar moeten we wat aan doen’, zegt een vertegenwoordiger van een Congolese organisatie. Koch notuleert. Nederland is de secretaris en een van de trekkers van deze werkgroep: ‘We vinden dit een heel belangrijk thema.’</p><p>Van de nieuwe lichting van tweeduizend rechters zijn vijfhonderd vrouwelijke rechters benoemd, meldt de volgende spreker, een rechter die doceert aan de universiteit. Ze krijgt instemmend applaus. ‘Dat is een historische stap’, zegt Koch later als iedereen buiten staat na te praten. ‘Momenteel is slechts drie procent van de rechters vrouw. Vrouwelijke rechters zijn meer geneigd om seksueel geweld aan te pakken. We hebben met onze groep intensief gelobbyd voor een groter aantal vrouwelijk rechters. En met resultaat. Dat vind ik het mooie van deze positie aan tafel. Samen kunnen we veranderingen inzetten.’</p><p><strong>13.00 uur</strong></p><p>Op het kantoor van Koch op de ambassade gaan de vaste lijn en de mobiele telefoon synchroon af. Een medewerker van het ministerie van Financiën, van de schuldverlichtingswerkgroep waar Koch ook deel van uitmaakt. Op de andere lijn een mensenrechtenorganisatie, die wil overleggen over een veilige werkplek voor een van hun activisten. Intussen werpt Koch een blik op intranet, de lijn met het Haagse departement, waar nog steeds een discussie over het WRR-rapport woedt. Hij heeft er zelf ook aan meegedaan vanuit Kinshasa. Koch: ‘De grootste verdienste van het rapport is dat het de discussie over de hulp heeft opgepookt. Mensen uit verschillende hoeken doen mee. Er is weer een stevig debat. Het is heel belangrijk dat we met z’n allen blijven nadenken over de richting waarin we willen gaan met de hulp. Ik denk dat het waar is dat we op een bepaalde manier doorgeschoten zijn in de hoeveelheid steun voor de sociale sectoren. Ik heb in mijn bijdragen aan de discussies echter wel laten zien dat hun berekening dat 80 procent van de Nederlandse hulp naar de sociale sectoren zou gaan, overdreven is. Ik ben zeker niet bang dat het voorstel van de WRR om de hulp te concentreren op tien landen tot kluitjesvoetbal gaat leiden. Het gaat erom dat je als donor bepaalt waar je toegevoegde waarde zit. Kijk waar je expertise zit, of er ergens al een solide programma is, breng in kaart welke andere donoren er al actief zijn. Laten we ons nu echt op de <em>donor orphans </em>richten. Neem het Nederlandse programma in Jemen. Er zitten daar zo weinig andere donoren, dáár kunnen we het verschil maken. De Nederlandse inzet hier in Congo is vanwege het fragiele-statenbeleid op het oosten geconcentreerd, waar ook de meeste andere donoren actief zijn. Het is echt verschrikkelijk wat daar gebeurt, dat moeten we zeker niet bagatelliseren. Er zitten nog steeds 1,8 miljoen ontheemden. Maar als we in Congo een groter budget zouden hebben, zouden we ons meer op het centrum van het land kunnen richten. In provincies als Bandundu en de twee Kasaïs zijn de armoede-indicatoren slechter dan in het oosten. Ik ben ervan overtuigd dat je kritische massa moet hebben om als donor mee te kunnen praten. Ik ben niet zo van de school van Pronk, die duizend bloemen laat bloeien.’</p><p><a rel="attachment wp-att-2677" href="http://www.viceversaonline.nl/2010/07/%e2%80%98ik-ben-niet-zo-van-de-school-van-pronk%e2%80%99/koch-site/"><img class="alignleft size-full wp-image-2677" title="Koch site" src="http://www.viceversaonline.nl/wp-content/uploads/2010/07/Koch-site.jpg" alt="" width="203" height="135" /></a>Weer gaat de telefoon: iemand van een VN-organisatie die wil weten of Nederland nog budget heeft voor een waarnemingsmissie tijdens de verkiezingen. Koch verwijst door naar een collega en vervolgt: ‘Ik heb geen idee of het daadwerkelijk aan mij ligt, maar bij de ingediende voorstellen voor MFS-2 zie ik wel degelijk dat sommige organisaties hun keuzes heroverwogen hebben. Oxfam Novib bijvoorbeeld trekt zich terug uit Tanzania en Kenia en wil intensifiëren in Jemen. In het beleidskader stond ook expliciet dat allianties rekening moesten houden met geografische spreiding. Dat is overigens niet tegenstrijdig met de eis om 60 procent van het budget te besteden in partnerlanden, want Nederlandse particuliere organisaties besteden van oudsher al een groot deel van hun middelen in die landen. Hun keuzes volgen in grote lijnen die van de Nederlandse overheid. Dat zie ik ook in Congo gebeuren. In het kielzog van de bilaterale donoren laten ontwikkelingsorganisaties het centrum van het land links liggen. We gaan daar als ambassade ook de discussie over aan met Nederlandse ngo’s, later deze maand. We zullen ze een spiegel voorhouden: uit nieuw onderzoek van mij in samenwerking met het Congo Platform blijkt dat 50 procent van hun activiteiten plaatsvindt in één van de twaalf provincies van het land. Onze vraag aan hen is: is dit nu wat jullie willen?’</p><p><strong>16.00 uur</strong></p><p>De komende twee weken reist Dirk-Jan Koch zelf af naar het oosten (‘vanaf Bukavu de heuvels in’) om wederopbouwprojecten van onder andere Unicef, Care en lokale partners van Nederlandse ngo’s te evalueren. Hij spreekt het reisschema nog snel even door met de ambassadeur.</p><p>Hoe zou het zijn om te opereren binnen een door de WRR geopperde constructie van NLAid? ‘Juist in een fragiele staat is het belangrijk dat ik snel een een-tweetje kan hebben met de ambassadeur, die op haar beurt weer met ministers aan tafel zit. Daardoor kunnen wij effectiever opereren dan clubs die alles als een technisch probleem zien. Neem seksueel geweld. Heel veel donoren hier zijn bezig met dit probleem. Om dan samen met de regering tot één coherent, solide plan te komen vergt meer diplomatieke dan technische vaardigheden. Zo ingewikkeld is ontwikkelingssamenwerking ook weer niet, zolang je maar gemotiveerd bent. Maar wat betreft de bilaterale hulp ben ik het wel met de WRR eens: we moeten ons concentreren op minder landen, met minder mensen. Veel kan multilateraal. We moeten dan wel goede Nederlanders hebben in die multilaterale instellingen. Het personeelsbeleid van DFID [het Department for International Development, de Britse ontwikkelingsdienst, LvG] oogt meer op prestaties gebaseerd. Die kijken niet naar nationaliteit, maar zoeken de allerbeste mensen om een professionele ontwikkelingsdienst neer te zetten. Je hoeft niet zoals bij Buitenlandse Zaken eerst tien jaar op startersfuncties te zitten voordat je eventueel door kunt groeien naar een managementpositie. En nog een plus: als je niet presteert, wordt dat snel duidelijk in je <em>performance rating </em>en wordt je contract niet verlengd.’</p><p><strong>18.00 uur</strong></p><p><a rel="attachment wp-att-2680" href="http://www.viceversaonline.nl/2010/07/%e2%80%98ik-ben-niet-zo-van-de-school-van-pronk%e2%80%99/_mg_4653-cmyk-2/"><img class="alignleft" title="_MG_4653-cmyk" src="http://www.viceversaonline.nl/wp-content/uploads/2010/07/MG_4653-cmyk1-209x300.jpg" alt="" width="209" height="300" /></a>Thuis gaat de das af, en dochter Olivia (2) op de arm. Zij heeft er weer een dag op zitten in haar klasje tussen de Congolese peuters. Koch: ‘Ik ben niet iemand die elke dag met heel veel plezier een das aantrekt en zorgt dat de juiste plooi in zijn broek zit. Dat protocolaire is niet mijn sterke punt. Maar vanuit Buitenlandse Zaken heb ik meer invloed om mijn ideeën in praktijk te brengen dan vanuit een klein dorpje in Centraal-Congo.’</p><p><a rel="attachment wp-att-2680" href="http://www.viceversaonline.nl/2010/07/%e2%80%98ik-ben-niet-zo-van-de-school-van-pronk%e2%80%99/_mg_4653-cmyk-2/"></a>Kochs echtgenote Annelies Claessens komt binnen en ploft neer op de bank op het balkon. ‘Dat waren weer pittige discussies vandaag.’ Ze runt de vestiging van consultancy-bedrijf MDF in Kinshasa en heeft twee dagen een workshop geleid voor een Nederlandse ontwikkelingsorganisatie en haar lokale partners. Koch heeft inmiddels bijgetekend voor een extra jaar Kinshasa, tot aan de verkiezingen in 2011. ‘Het bevalt ons goed hier. We hebben veel Congolese vrienden. Ik houd van dit type landen, dat onder diplomaten niet heel populair is. Wat mijn volgende stap wordt? Eerst nog een aantal plaatsingen, dan zien we wel verder. Het is duidelijk dat ik voor een loopbaan heb gekozen, niet voor een racebaan. Ik krijg genoeg ruimte om me binnen en buiten mijn werk te ontwikkelen. Maar ik ben getrouwd met mijn vrouw en met mijn idealen, niet met mijn werkgever.’</p> ]]></content:encoded> <wfw:commentRss>http://www.viceversaonline.nl/2010/07/%e2%80%98ik-ben-niet-zo-van-de-school-van-pronk%e2%80%99/feed/</wfw:commentRss> <slash:comments>0</slash:comments> </item> <item><title>Nieuw bloed voelt zich niet welkom</title><link>http://www.viceversaonline.nl/2010/07/nieuw-bloed-voelt-zich-niet-welkom/</link> <comments>http://www.viceversaonline.nl/2010/07/nieuw-bloed-voelt-zich-niet-welkom/#comments</comments> <pubDate>Tue, 13 Jul 2010 08:40:49 +0000</pubDate> <dc:creator>Marc Broere</dc:creator> <category><![CDATA[opinie]]></category> <category><![CDATA[Vice Versa]]></category> <category><![CDATA[generatiekloof]]></category> <category><![CDATA[JongOS]]></category> <category><![CDATA[starters]]></category> <category><![CDATA[Vernieuwing]]></category><guid isPermaLink="false">http://www.viceversaonline.nl/?p=2525</guid> <description><![CDATA[Aan het aanbod ligt het niet: een goed opgeleide jonge generatie staat klaar om de ontwikkelingssector te versterken. Maar wat blijkt? Als ze met veel moeite ergens een voet tussen de deur hebben gekregen, lopen ze tegen vastgeroeste gewoontes op. <a href="http://www.viceversaonline.nl/2010/07/nieuw-bloed-voelt-zich-niet-welkom/">Verder lezen <span class="meta-nav">&#8594;</span></a>]]></description> <content:encoded><![CDATA[<p><strong><a rel="attachment wp-att-2555" href="http://www.viceversaonline.nl/2010/07/nieuw-bloed-voelt-zich-niet-welkom/marcweb/"><img class="alignleft size-full wp-image-2555" title="marcweb" src="http://www.viceversaonline.nl/wp-content/uploads/2010/07/marcweb.jpg" alt="" width="210" height="135" /></a>Aan het aanbod ligt het niet: een goed opgeleide jonge generatie staat klaar om de ontwikkelingssector te versterken. Maar wat blijkt? Als ze met veel moeite ergens een voet tussen de deur hebben gekregen, lopen ze tegen vastgeroeste gewoontes op. </strong></p><p>In dit nummer van <em>Vice Versa </em>staat een reportage over Dirk-Jan Koch, bij wie we op bezoek gingen in Congo. Ik wil niet opscheppen, maar ik zie Dirk-Jan een beetje als mijn ‘journalistieke ontdekking.’ Enkele jaren voordat hij een hype creëerde met zijn proefschrift over blinde vlekken in de hulp, had ik hem al bestempeld als <em>high potential</em>. Voor het blad  <em>onzeWereld</em> interviewde ik in 2005 vijf aanstormende talenten over ontwikkelingshulp. Het werd een bijzonder gesprek met de jonge ambtenaar op het ministerie van Buitenlandse Zaken, niet in de laatste plaats omdat ik bijna letterlijk geschaduwd werd door een nerveuze voorlichter.</p><p>Koch maakte destijds al een aantal rake punten. Bijvoorbeeld over de generatiekloof tussen jonge en oudere ontwikkelingswerkers. ‘Jongeren zijn beter op de hoogte van de nieuwste ontwikkelingen in de academische wereld dan hun oudere collega’s’, vertelde hij. ‘En juist vanuit de academische kant komt er steeds meer inzicht in vormen van hulp die wel of niet werken. Jongeren zullen eerder het laatste rapport van de Wereldbank of het United Nations Development Programme downloaden en meenemen in hun werk.’</p><p>Na afloop, vertelde Koch me later, had hij een uitbrander gekregen van de voorlichter. Koch had in het interview namelijk lachend gezegd dat hij na zijn afstuderen had gesolliciteerd bij de Novib, maar niet was aangenomen omdat hij te weinig praktijkervaring had. Amper twee jaar later werkte hij nota bene op een afdeling van het ministerie die particuliere ontwikkelingsorganisaties – waaronder Novib – moest beoordelen.</p><p><strong>Goed geregeld</strong></p><p>Ik bedenk nu dat de voorlichter eigenlijk trots had moeten zijn. Er is al jaren veel kritiek op de kwaliteit van de ambtenaren die zich met ontwikkelingssamenwerking bezighouden; kritiek die nieuw leven is ingeblazen door het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Toch heeft het ministerie van Buitenlandse Zaken Dirk-Jan Koch gecreëerd. Hoewel Koch niet ervaren of goed genoeg werd bevonden door de Novib, kregen hij en andere jonge talenten wél de kans om op het ministerie hun talenten te ontplooien. De IS Academy, een samenwerkingsverband tussen het ministerie en wetenschappelijke instellingen, biedt bovendien zelfs de kans om te promoveren, een mogelijkheid die Koch (cum laude) met beide handen heeft aangegrepen.</p><p>Je zou bijna zeggen: was het in de ontwikkelingssector maar overal zo goed geregeld als op het ministerie. Het blijkt namelijk ontzettend moeilijk om aan de bak te komen bij een ontwikkelingsorganisatie en vervolgens door te groeien. Ik hoor hier vandaag de dag veel over, omdat de redactie van <em>Vice Versa </em>onlangs is versterkt met Ilse (22) en Eva (25). Ik ben onder de indruk van hun kennis en hoe goed ze inhoudelijk in de materie zitten. Eva heeft vorig jaar de opleiding Conflict Studies en Human Rights afgerond in Utrecht, en gestudeerd bij hoogleraar (en oud-politicus) Bas de Gaay Fortman. ‘Eva behoort tot de meest talentvolle generatie studenten die ik ooit heb gehad’, vertelde De Gaay Fortman me toen we kort geleden zaten te lunchen in de tuin van de Faculty Club van de Universiteit Utrecht. Hij vond het ‘zorgelijk’ dat het zo moeilijk is voor deze generatie om een baan te vinden binnen de sector.</p><p>Eva heeft een baan gevonden als opleidingscoördinator bij Reclassering Nederland, maar haar hart ligt eigenlijk op het snijvlak van journalistiek en internationale samenwerking. Ze heeft wel geprobeerd om in de ontwikkelingssamenwerking een baan te vinden, maar op vacatures (en zelfs op stage- en werkervaringsplekken) komen honderden mensen af. Vandaar dat ze zich nu parttime (en vrijwillig) inzet voor <em>Vice Versa</em>.</p><p>Ilse studeert International Development Studies, eveneens in Utrecht. Ze hoopt op haar 23<sup>e</sup> af te studeren en vervolgens een ‘Advanced Master’ via het Centrum voor Internationale Ontwikkelingsvraagstukken (CIDIN) in Nijmegen te gaan doen, voor veel mensen – naast bijvoorbeeld het startersprogramma van PSO – de meest logische en veilige weg naar een baan in de sector. Maar dit is makkelijker gezegd dan gedaan, want ieder jaar strijden zo’n tweehonderd kandidaten om de maximaal dertig plaatsen die er bij deze postdoctorale opleiding te vergeven zijn.</p><p><strong>Jong OS</strong></p><p>Het is duidelijk dat de markt van vraag en aanbod verstoord is. Terwijl iedereen roept dat vernieuwing en verandering noodzakelijk is, komen de mensen die met een frisse blik naar de materie kijken, en met de nieuwste kennis zijn geschoold, maar heel mondjesmaat aan de bak.</p><p>Voor de gelukkigen die er wel in slagen om een baan te vinden zijn de problemen allerminst opgelost. Ilse en Eva zijn beiden lid van ‘Jong OS’ en komen van bijeenkomsten van dit netwerk met verhalen terug die je aan het denken zetten. Het selecte gezelschap dat hun felbegeerde baan bij Hivos, Oxfam Novib, ICCO, Cordaid of elders heeft gevonden, stelt op Jong OS-bijeenkomsten vaak dezelfde gespreksonderwerpen aan de orde. Ze lopen er in de praktijk tegenaan dat er bij hun nieuwe werkgever nauwelijks sprake is van een ‘lerende organisatie’. De starters zien dat fouten onder de tafel worden geschoven en klagen erover dat kritische vragen niet op prijs worden gesteld. Het lijkt alsof ontwikkelingsorganisaties helemaal niet zitten te wachten op frisse input en mensen met nieuwe kennis. De motivatie om in de ontwikkelingssamenwerking te (blijven) werken, loopt zo een ernstige knauw op.</p><p>Daarnaast heb ik zelf de afgelopen jaren een interessant generatieconflict gadegeslagen. De starters krijgen namelijk allemaal te maken met oudere collega’s die zich vooral op praktijkervaring beroepen en vanuit een ander denkkader werken. Dit leidt tot de interessante vraag wie er nu anno 2010, in een periode dat ontwikkelingssamenwerking onder vuur ligt en er steeds meer tot vernieuwing wordt aangespoord, meer geschikt is voor het werken binnen de sector. Is dat een high potential van 28 die alle recente literatuur over ontwikkelingsprocessen en globalisering bijna uit z’n hoofd kent en met de nieuwste theoretische kennis is uitgerust, maar die een tot zijn stage beperkte praktijkervaring heeft? Of is dat de ervaren vijftiger die vroeger zonder universitaire opleiding langdurig ‘in het veld’ heeft gezeten, vervolgens terugkeerde naar Nederland toen de kinderen naar de middelbare school moesten, en nu al jarenlang op het hoofdkantoor van een Nederlandse ontwikkelingsorganisatie werkt en vast van plan is om die stoel tot aan zijn pensioen bezet te houden? Iemand die ’s avonds niet meer het nieuwste boek van William Easterley of Joseph Stiglitz leest, of het internet afstruint naar de meest recente wetenschappelijke publicaties op zijn vakgebied. Maar iemand die wél als geen ander in staat is om tijdens een veldbezoek op een deskundige en bijna intuïtieve wijze een project te beoordelen en met een partnerorganisatie samen te werken.</p><p>Weet u het antwoord op deze vraag? Ik niet. Maar de realiteit is wel dat er geen match lijkt te bestaan tussen beide groepen. En omdat ervaren medewerkers zich kunnen beroepen op dienstjaren en vaste contracten, loopt de nieuwe generatie op hen vast, is carrière maken bij een grote ontwikkelingsorganisatie moeilijk en blijft vernieuwing uit. Wie slaagt erin om deze vicieuze cirkel te doorbreken?</p><p>Marc Broere</p> ]]></content:encoded> <wfw:commentRss>http://www.viceversaonline.nl/2010/07/nieuw-bloed-voelt-zich-niet-welkom/feed/</wfw:commentRss> <slash:comments>0</slash:comments> </item> <item><title>De spiegel van het particulier initiatief</title><link>http://www.viceversaonline.nl/2010/07/de-spiegel-van-het-particulier-initiatief/</link> <comments>http://www.viceversaonline.nl/2010/07/de-spiegel-van-het-particulier-initiatief/#comments</comments> <pubDate>Tue, 06 Jul 2010 16:18:56 +0000</pubDate> <dc:creator>Vice Versa</dc:creator> <category><![CDATA[Vice Versa]]></category> <category><![CDATA[Particulier Initiatief]]></category><guid isPermaLink="false">http://www.viceversaonline.nl/?p=2483</guid> <description><![CDATA[In het vorige nummer van Vice Versa deed Kees Zevenbergen een oproep aan de sector om vijf innovatietrajecten uit te zetten. Gerhard Schuil reageert door te wijzen op de belangrijke lessen die burgerinitiatieven aan professionele organisaties kunnen leren – àls die zich tenminste daarvoor willen openstellen. ‘Het etiket PI houdt onze nieuwe collega’s onnodig op afstand.’  <a href="http://www.viceversaonline.nl/2010/07/de-spiegel-van-het-particulier-initiatief/">Verder lezen <span class="meta-nav">&#8594;</span></a>]]></description> <content:encoded><![CDATA[<p><strong><a rel="attachment wp-att-2484" href="http://www.viceversaonline.nl/2010/07/de-spiegel-van-het-particulier-initiatief/dscf5933/"><img class="alignleft size-medium wp-image-2484" title="DSCF5933" src="http://www.viceversaonline.nl/wp-content/uploads/2010/07/DSCF5933-300x224.jpg" alt="" width="300" height="224" /></a>In het vorige nummer van Vice Versa deed Kees Zevenbergen een oproep aan de sector om vijf innovatietrajecten uit te zetten. Gerhard Schuil reageert door te wijzen op de belangrijke lessen die burgerinitiatieven aan professionele organisaties kunnen leren – àls die zich tenminste daarvoor willen openstellen. ‘</strong><strong>Het etiket PI houdt onze nieuwe collega’s onnodig op afstand.’ </strong></p><p><strong> </strong></p><p>Eind 2005 zocht ik voor een debat een criticaster van de groeiende groep Nederlanders die zich met een eigen stichting aan ontwikkelingshulp waagden. Omdat ik nu eens geen zin had in Theo Ruyter, informeerde ik bij een collega-organisatie. Ik vroeg hem of hij nog een uitgesproken tegenstander kende. ‘Eéntje?’ antwoordde hij ‘Er werken er hier wel honderd!’</p><p>Vijf jaar later is er veel ten goede veranderd. Zo’n 35 onderzoeken en evaluaties verder weten we meer over de kracht en zwakte van het Nederlandse Particulier Initiatief (PI) en is de samenwerking tussen ‘gevestigde’ ontwikkelingsorganisaties en het PI aanzienlijk verbeterd. Toch zijn we nog maar net begonnen. De oproep van Kees Zevenbergen in het vorige nummer van <em>Vice Versa</em> om innovatietrajecten te ontwikkelen voor de Nederlandse ontwikkelingssector, deed me beseffen dat het misschien wel de grootste uitdaging is op de juiste manier om te gaan met de tienduizenden Nederlanders die zich liever niet bezighouden met de architectuur van de Nederlandse hulp, maar graag de handen uit de mouwen steken. De bekende spelers in de hulpindustrie zijn, zo is gebleken, met wortel en stok tot samenwerking te mennen. Maar hoe kom je tot optimale samenwerking met constructief-kritische idealisten die voor zichzelf zijn begonnen? Hoe optimaliseer je samenwerking met zo’n 6500 stichtingen?</p><p><strong>Systeemdenkers</strong></p><p>Voor de topdown-planners van deze wereld vormt de spontane, ietwat anarchistische ontwikkeling van het PI vooral een managementprobleem. Hebben nijvere beleidsmakers het Hollandse waterbed middels afgedwongen alliantievorming aan het hoofdeinde vlak gestreken, dan manifesteert zich aan het voeteneind nog een bobbel van duizenden vrijwilligersorganisaties. De houding van de systeemdenkers tegenover het groeiende PI is vooral een ongemakkelijke. Zo zijn in het nieuwe Medefinancieringskader (MFS-2) de particuliere initiatieven weggemoffeld en begrensd tot een voetnoot, die stelt dat maximaal 4 procent van ontvangen MFS-geld via hen mag worden besteed. De vrijdenkers van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) hebben, naast de oproep om het PI ‘te koesteren’, welgeteld één aanbeveling en wel die altijd populaire van het opstellen van een gedragscode. Beide maar matig inspirerende ideeën tonen het onvermogen van de ‘planners’ zich te verhouden tot spontane maatschappelijke ontwikkelingen van onderaf.</p><p>Deze zuinige waardering voor het PI miskent de maatschappelijke trend. Ze gaat voorbij aan de voorkeur van ruim een derde van de Nederlanders voor kleinschalige ontwikkelingssamenwerking. Er zijn geen aanwijzingen om aan te nemen dat die voorkeur op termijn gaat veranderen. Het Centrum voor Internationale Ontwikkelingsvraagstukken (CIDIN) stelt in haar meest recente onderzoek: ‘De laatste jaren laten een duidelijk groter vertrouwen zien in kleinschalige goede doelen ten opzichte van landelijke organisaties’<em> (De anatomie van het PI). </em>Het WRR stelt terecht dat voor ‘de meeste burgers het beeld van ontwikkelingshulp in toenemende mate gepersonaliseerd raakt’. Een fenomeen waar menig professional van gruwt, maar waarvan de schuld niet simpelweg in de schoenen van het PI kan worden geschoven.</p><p>Een andere, voor sommigen ongemakkelijke waarheid is dat het aantal PI’s ook in de komende jaren zal toenemen, met of zonder overheidssteun. Het belangrijkste motief om zelf actief te worden is namelijk een korter of langer verblijf in een ontwikkelingsland. En omdat het reizen naar verre bestemmingen nog altijd toeneemt en we – in tegenstelling tot wat wel wordt beweerd – voor echte armoede niet zijn afgestompt, groeit het reservoir van potentiële doe-het-zelvers.</p><p>De moderne communicatietechnologie doet de rest. Zij maakt omzetting van ‘geraakt zijn’ in daden mogelijk. Zoals ik door internet, e-mail, skype en mobiel bankieren morgen kan starten als zzp’er met kantoor aan huis, zo kan de nieuwe idealist per direct beginnen met zijn of haar nieuwe ‘MONGO’ (MyOwnNGO). Techniek maakt de tussenkomst van intermediaire organisaties overbodig en via sociale netwerken (zowel op als buiten het web) kunnen de benodigde middelen worden gemobiliseerd. Met andere woorden, het PI is er en zal blijven groeien: omdat het kan.</p><p><strong>Reflectief vermogen</strong></p><p>Dit kan nooit goed gaan, hoor ik u zeggen. En ja, veel zzp’ers redden het inderdaad niet en veel MONGO’s leveren nog ondermaatse kwaliteit. De zwakheden van particuliere initiatieven als groep zijn genoegzaam bekend. Te geïsoleerd werken, te veel gericht op de korte termijn, te weinig focus, zwakke planning en evaluatie, en inderdaad, een deel heeft een paternalistische houding waar je koud van wordt. Kortom, het PI heeft (en doet) grote moeite om duurzame resultaten te behalen. Voor een ieder die streng in de leer is, is dit genoeg om het PI als groep af te schrijven en zijn kop weer in het zand te steken. Dat is jammer, want juist het PI heeft de afgelopen jaren veel geleerd. Zij hebben zich ontpopt als het meest leergierige deel van de Nederlands hulpgemeente. Niet alleen ikzelf en collega-organisaties, maar ook de ‘PI-onderzoekers’ van de Radboud Universiteit hebben dit aan den lijve mogen ervaren. Wie er de tijd voor heeft kan nagenoeg wekelijks ergens in het land naar een bijeenkomst waar het PI samenkomt. De goedbezochte landen- en themadagen, trainingen en debatten kennen een open sfeer met levendige uitwisseling, waarbij niet wordt geschuwd om elkaar stevig de waarheid te zeggen.</p><p>Professionals met echt reflectief vermogen, die net zo streng zijn voor zichzelf als in de leer, beseffen dat er hooguit sprake is van een gradueel verschil tussen de eigen organisatie en het werk van het PI. Daarbij, hét PI bestaat niet. De variatie in ambities, kwaliteit en omvang zijn gewoon te groot. PI varieert van mensen die op persoonlijke titel incidenteel geld overmaken naar individuen tot mensen die zich via hun bedrijf, school, kerk of stichting met hart en ziel en voor jaren verbinden aan organisaties in ontwikkelingslanden.</p><p>Het is hoog tijd dat we van die laatste groep een aantal lessen afnemen. Ten eerste vertellen ze ons dat er een verschil is tussen professionaliseren en bureaucratiseren. Interessant in dit kader is het beeld dat Govert Buijs, politiek filosoof aan de Vrije Universiteit, schetst in dagblad <em>Trouw</em> van het taalgebruik van  maatschappelijke organisaties in Nederland. Wie termen beheerst als <em>marktwerking, klantgroepen</em>, <em>win-win, efficiency </em>en<em> targets,</em> kan volgens Buijs met zijn ‘managementlulkoekbingo’ bij veel maatschappelijke organisaties een potje meepraten. Ongeacht waar je je oor te luister legt bij zorginstellingen, onderwijs, woningcorporaties of ontwikkelingsorganisaties: overal hoor je een vreemdsoortig managers-Esperanto. Een domeintaal die losstaat van de ideële doelstelling en identiteit van de organisaties en daarbij het primaire proces vervuilt. In een klimaat waar volgens Tjeenk Willink van de Raad van State ‘het “politieke” is <em>verbestuurlijkt </em>en het “bestuurlijke” is <em>vermarkt’, </em>is het logisch dat burgerinitiatief van onderop de kop op steekt, dus ook in ontwikkelingshulp. Het particulier initiatief spreekt wél oorspronkelijke taal. Ze handelt uit solidariteit en haar boodschap is authentiek. Het PI groeit en bloeit. Is de donateur sentimenteel of dom, zoals sommigen ook de kiezer duiden? Of is er meer aan de hand?</p><p><strong>Spiegel</strong></p><p>Fundamenteler nog dan de boodschap is de les die het betere PI ons voorspiegelt over de essentie van de internationale hulp. Die les is: het begint met tijd en aandacht voor de wederzijdse ontmoeting met de ander. Verhelderd hierbij is de indeling die de godsdienstfilosoof Martin Buber (1878-1965) maakte tussen twee soorten relaties, die van <em>Ich &amp; Du</em> en die van <em>Ich &amp; Es.</em> Bureaucratisering in combinatie met ontzielde moderne managementtaal leidt tot het objectiveren van de ander. ‘De ander’ wordt gekwalificeerd en gekwantificeerd. Vervolgens wordt er gesproken over een ‘doelgroep’<em> </em>en is de Ich &amp; Es-relatie geboren. De mens daar én hier raken uit beeld. Hoewel niemand het nastreeft, steekt het als een wetmatigheid de kop op.</p><p>In succesvolle projecten van het PI staat juist de langdurige persoonlijke relatie met de mensen van hun project voorop. Alleen in de persoonlijke ontmoeting tussen<em> </em>Ich &amp; Du kan intermenselijke wederkerigheid ontstaan. Lang niet alle particuliere initiatieven voldoen aan dit beeld, maar het is geen toeval dat diegenen die hun eigen achtergrond meebrengen en met een open blik hun collega docent, ICT’er, boer, visser, theatermaker of journalist ontmoeten, niet alleen de beste resultaten halen maar ook het langste betrokken blijven. Het zijn de particuliere initiatieven die ons bewijzen dat de Ich &amp; Du-relatie ook in ontwikkelingshulp kan bestaan. Voor de professional die intuïtief voelt dat zijn organisatie op dit punt de afgelopen jaren te veel heeft prijsgegeven, kan het PI als een spiegel dienen.</p><p>Afsluitend: de opkomst van particuliere initiatieven dwingt ons opnieuw naar de essentie van ons werk en onze organisaties te kijken. De komende jaren moeten we voor ogen houden dat de verschillen tussen <em>het </em>PI en <em>de </em>sector slechts gradueel zijn, dus overbrugbaar. De term PI, verzonnen door onderzoekers en beleidsmakers, kan worden afgeschaft. Het etiket houdt onze nieuwe collega’s onnodig op afstand. We moeten geen tijd besteden aan het meten van de afstand tussen vrijwillige en betaalde professionals. Organisatiegraad en -omvang zijn geen goede ordeningsprincipes, we moeten ons organiseren rondom gezamenlijke doelen. Laten we onze tijd goed gebruiken en gezamenlijk investeren in concrete landenprogramma’s op gebieden als onderwijs, gezondheidszorg, water en economische ontwikkeling. Gaandeweg hebben we elkaar nog het nodige te vertellen en te leren.</p><p>De bloedsomloop van de internationale samenwerking heeft de haarvaten van het PI hard nodig. Zonder hen krijgt ze een grauw en vaal gezicht.</p><p><em>Gerhard Schuil is programmacoördinator van Impuls<em>is,</em> het samenwerkingsverband van Edukans, ICCO en Kerk in Actie dat particuliere initiatieven ondersteunt en adviseert. Ook is hij een van de initiatiefnemers van de informele PI-denktank GrouPI.</em></p> ]]></content:encoded> <wfw:commentRss>http://www.viceversaonline.nl/2010/07/de-spiegel-van-het-particulier-initiatief/feed/</wfw:commentRss> <slash:comments>0</slash:comments> </item> <item><title>Welkom in de sector</title><link>http://www.viceversaonline.nl/2010/06/welkom-in-de-sector/</link> <comments>http://www.viceversaonline.nl/2010/06/welkom-in-de-sector/#comments</comments> <pubDate>Tue, 22 Jun 2010 06:00:05 +0000</pubDate> <dc:creator>Eva de Vries</dc:creator> <category><![CDATA[Het Wereldje]]></category> <category><![CDATA[In Vice versa 2]]></category><guid isPermaLink="false">http://www.viceversaonline.nl/?p=2298</guid> <description><![CDATA[De jongere generatie druppelt mondjesmaat de ontwikkelingssector binnen. Ze hebben er hard voor gewerkt. Wat drijft hen? Vanaf dit nummer portretteren wij in elke Vice Versa een starter. Deze week Lena Mueller, ‘project officer’ bij Oxfam Novib: ‘Vergelijk een cv van een beginnende ontwikkelingswerker in de jaren tachtig eens met dat van ons, en je zult versteld staan. We moeten zó veel kunnen en gedaan hebben.' <a href="http://www.viceversaonline.nl/2010/06/welkom-in-de-sector/">Verder lezen <span class="meta-nav">&#8594;</span></a>]]></description> <content:encoded><![CDATA[<p><strong><a rel="attachment wp-att-2304" href="http://www.viceversaonline.nl/2010/06/welkom-in-de-sector/ned-d3073/"></a><a rel="attachment wp-att-2304" href="http://www.viceversaonline.nl/2010/06/welkom-in-de-sector/ned-d3073/"><img class="alignleft size-medium wp-image-2304" title="Ned-D3073" src="http://www.viceversaonline.nl/wp-content/uploads/2010/06/Ned-D3073c-300x215.jpg" alt="" width="300" height="215" /></a>De jongere generatie druppelt mondjesmaat de ontwikkelingssector binnen. Ze hebben er hard voor gewerkt. Wat drijft hen? Vanaf dit nummer portretteren wij in elke <em>Vice Versa</em> een starter. Deze week Lena Mueller, ‘project officer’ bij Oxfam Novib: ‘Vergelijk een cv van een beginnende ontwikkelingswerker in de jaren tachtig eens met dat van ons, en je zult versteld staan. We moeten zó veel kunnen en gedaan hebben.&#8217;</strong></p><p><strong><br /> </strong></p><p><strong><strong><em><a rel="attachment wp-att-2299" href="http://www.viceversaonline.nl/2010/06/welkom-in-de-sector/lene-muller/"><img class="size-full wp-image-2299 alignright" title="Lene Muller" src="http://www.viceversaonline.nl/wp-content/uploads/2010/06/Lene-Muller.bmp" alt="" width="431" height="221" /></a></em></strong></strong></p><p><strong> </strong></p><p><strong><em> </em></strong></p><p><strong><em> </em></strong></p><p><strong><em> </em></strong></p><p><strong><em> </em></strong></p><p><strong><em> </em></strong></p><p><strong><em>Wat houdt je baan in?</em></strong></p><p>‘Ik ben project officer bij het West-Afrika team van Oxfam Novib. Mijn werkzaamheden richten zich vooral op het recht op maatschappelijke participatie en overheidsprocessen. We faciliteren samenwerking en kennisoverdracht tussen partnerorganisaties. Het reizen is natuurlijk een geweldige bijkomstigheid. Vorig jaar ben ik twee keer tien dagen in Niger en Mali geweest. Het is zo interessant om te zien wat er in de praktijk gebeurt en welke gezichten bij de telefoonstemmen horen.’</p><p><strong><em>Het is voor pas afgestudeerden moeilijk om aan de bak te komen in deze sector. Hoe ben je terechtgekomen bij Oxfam Novib?</em></strong></p><p>‘Tijdens mijn postdoctorale Advanced Master in International Development in Nijmegen kwam ik als trainee terecht bij Oxfam Novib. De opleiding poogt het gat te dichten tussen universitaire studies en de arbeidsmarkt. De studie is praktijkgericht en wetenschappelijk, en er is aandacht voor persoonlijke ontwikkeling. Volledig klaargestoomd voor de praktijk was ik niet, maar de master geeft wel een goed beeld van wat er in de sector speelt.’</p><p><strong><em>Waarom een carrière in de ontwikkelingssamenwerking?</em></strong></p><p>‘In eerste instantie waren een oneindige nieuwsgierigheid naar de wereld, een fascinatie voor ontwikkeling en een flinke dosis idealisme de drijfveren om internationaal georiënteerde studies te volgen. Toen ik ervoer dat armoedeproblematiek niet met studieboektheorieën op te lossen is, verdween dat idealisme tijdens mijn stages voor een deel. Maar gepassioneerd, gefascineerd en gedreven ben ik nog steeds.’</p><p><strong><em>Hoe is het om als jong iemand werkzaam te zijn bij een grote organisatie als Oxfam Novib?</em></strong></p><p>‘Mijn team waardeert me enorm en ik kan er gelukkig goed mijn ei kwijt. Maar op organisatieniveau moet je echt je ellebogen gebruiken om ruimte te creëren voor nieuwe ideeën. De oude garde maakt op de werkvloer de dienst uit. Ik merk dat jongeren minder idealistisch en soms zelfs cynisch zijn geworden. Misschien zijn wij meer gewend aan verandering en schoppen we graag tegen grenzen aan. Veel mensen werken hier al heel lang, verandering zou kunnen betekenen dat ze hun baan als zodanig verliezen.’</p><p><strong><em>Wat voegt jouw generatie toe aan de ontwikkelingssector?</em></strong></p><p>‘We zitten boordevol verfrissende ideeën. Jongeren zouden bijvoorbeeld meer aandacht moeten krijgen in ontwikkelingslanden, veel projecten zijn nu alleen gericht op basisschoolkinderen. Daarnaast zijn wij kritisch, flexibel, innovatief en willen we bijblijven op het wetenschappelijke vlak. Vergelijk een cv van een beginnende ontwikkelingswerker in de jaren tachtig of negentig eens met dat van ons, en je zult versteld staan. We moeten zó veel kunnen en gedaan hebben.’</p><p><strong><em>Wat moet er veranderen om meer vernieuwing in de sector te krijgen?</em></strong></p><p>‘Ik denk dat betere doorgroeimogelijkheden voor starters in de sector een stap in de goede richting is. Bij Oxfam Novib wordt in iemand geïnvesteerd tijdens een stage of traineeship, maar concrete kansen om verder opgeleid te worden zijn er niet. Investering kost tijd en geld en daarom worden contracten vaak niet verlengd of blijven starters te lang in een ondergeschikte functie. Er wordt te weinig gekeken naar hun capaciteit. Een goed doordacht opleidingstraject zou een oplossing zijn. Op deze manier blijft opgedane kennis en expertise behouden.’<strong><em> </em></strong></p><p><strong><em>Heb je tips voor mensen die tot ’t wereldje willen toetreden?</em></strong></p><p>‘Proactief zijn, stage lopen in het buitenland, goede studieresultaten behalen, je stem laten horen en netwerken, netwerken, netwerken.’</p> ]]></content:encoded> <wfw:commentRss>http://www.viceversaonline.nl/2010/06/welkom-in-de-sector/feed/</wfw:commentRss> <slash:comments>0</slash:comments> </item> </channel> </rss>
<!-- Performance optimized by W3 Total Cache. Learn more: http://www.w3-edge.com/wordpress-plugins/

Minified using disk: basic
Page Caching using disk: enhanced
Database Caching 1/52 queries in 0.019 seconds using disk: basic
Object Caching 1107/1217 objects using disk: basic

Served from: www.viceversaonline.nl @ 2012-02-04 12:34:18 -->
